Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

Een officier zonder dubbele bodem

Koos Plooij is officier van justitie in het proces tegen Willem Holleeder dat vandaag wordt hervat. Hij wordt beschreven als serieus en vasthoudend. Een crime-fighter. Grapjes begrijpt hij niet.

Koos Plooij aan het begin van het proces tegen de groep rond Willem Holleeder eerder dit jaar. Foto Hollandse Hoogte Amsterdam, 2 april 2007. Begin van het proces tegen Holleeder. Extra beveiligde rechtbank De Bunker, Amsterdam Osdorp. Officieren van Justitie Mr. Koos Plooy en Mr. S. de Vries. Foto: Co de Kruijf.
Koos Plooij aan het begin van het proces tegen de groep rond Willem Holleeder eerder dit jaar. Foto Hollandse Hoogte Amsterdam, 2 april 2007. Begin van het proces tegen Holleeder. Extra beveiligde rechtbank De Bunker, Amsterdam Osdorp. Officieren van Justitie Mr. Koos Plooy en Mr. S. de Vries. Foto: Co de Kruijf. Hollandse Hoogte

Ze waren een goed duo. Fred Teeven als onderzoeksleider, goed in het aansturen van rechercheurs. En Koos Plooij meer voor het inhoudelijke, juridische werk. Een getuige die vele uren doorbracht met de officieren van justitie vroeg een keer: „Krijgen jullie nou nooit genoeg van elkaar?” Fred Teeven zei, met een brede grijns: „Het is moeilijk om genoeg te krijgen van Koos.” Plooij glimlachte. Maar een jaar later zou hij wel even genoeg hebben van Teeven. Plooij had net afgezien van een leidinggevende functie binnen het Openbaar Ministerie, mede omdat hij samen met Teeven de omvangrijke Holleeder-zaak wilde afmaken. Maar Teeven belde hem onverwachts met de mededeling dat hij voor de VVD de Tweede Kamer in zou gaan. „Koos was boos”, zegt Teeven. „En hij had gelijk. Ik heb er wakker van gelegen. Ik heb mijn beslissing bijna teruggedraaid”.

Koos Plooij, in zijn studietijd nog een gereformeerde scherpslijper, is na zestien jaar een pragmatisch jurist geworden die de strijd aanbindt met de zware criminaliteit.

Hij is de officier van justitie die de afgelopen jaren de grote, mediagevoelige strafprocessen voerde. Hij vervolgde Pim Fortuyns moordenaar Volkert van der G. en de vermeende terreurorganisatie de Hofstadgroep. In 2004 kreeg hij veel aandacht toen bekend werd dat criminelen hem zouden willen vermoorden. En nu moet hij proberen te bewijzen dat de groep rond Willem Holleeder vier vastgoedhandelaren heeft bedreigd en afgeperst. Vandaag is het proces in Amsterdam-Osdorp hervat.

Zijn carrière als officier van justitie nam een vlucht met zijn komst naar het parket in Amsterdam, eind jaren negentig. Daarvoor had hij acht jaar gewerkt bij het OM in Utrecht. Als het om de zware criminaliteit gaat, zegt Teeven, „toch een beetje een kinderparket”. Toenmalig hoofdofficier van justitie Hans Vrakking haalde hem binnen. Een typisch voorbeeld van een moderne officier van justitie, zegt Vrakking nu. „Hij blijft niet in zijn ivoren toren, heeft open contact met advocaten en verdachten. Plooij is een officier zonder dubbele bodem”. Een zeer gedegen jurist, zeggen collega’s, met veel parate kennis. Ook advocaten prijzen hem. „Goed in zijn vak, sterk op de zitting, hij haalt geen trucjes met je uit”, zegt advocaat Peter Plasman. Soms misschien iets te gedegen, een beetje steil ook. „Bloedserieus”, zegt Vrakking. „Je moet bij Koos wel oppassen als je een grap maakt. Daar kunnen brokken van komen, omdat hij denkt dat je het echt meent”.

Aandacht voor zijn persoon, daar houdt hij niet van. Medewerking aan dit artikel weigerde Plooij. Hij gaf maar een paar interviews, en die zorgden voor ophef. Zijn intrede in de landelijke media deed hij bij de zaak tegen Pim Fortuyns moordenaar Volkert van der G. Hij eiste levenslang, maar dat veegde de rechtbank scherp beargumenteerd van tafel. Van der G. kreeg achttien jaar.

Advocate Britta Böhler, die Volkert van der G. bijstond, noemt de moord op Fortuyn één van de zwaarste zaken die ze ooit gedaan heeft. „Door de mediadruk, maar ook door de opstelling van het OM en Koos Plooij.” Ze noemt Plooij een gedegen werker. „Maar hij is ook berekenend en af en toe star. Hij stapt niet snel af van wat hij eenmaal vindt. In die zin is hij niet heel erg magistratelijk, geen officier die onderzoekt en het uitsluitend maar om waarheidsvinding gaat. Hij is een echte crimefighter. Heeft veel voor zijn doel over: iemand veroordeeld te krijgen.” Plooij heeft volgens haar niet echt de gave om zich in iemand te verplaatsen, laat staan in de denkwereld van een verdachte. „En dat is een cruciale eigenschap voor een officier van justitie”.

In de zaak-Van der G. werd dat volgens Böhler duidelijk toen het ging om het motief van de moordenaar: „Van der G. vond Pim Fortuyn een gevaarlijke man voor de samenleving. Maar Plooij bleef maar volhouden dat het volgens hem om het milieu en de dierenrechten ging. Volkert heeft enkele uren na de moord, toen ik op het politiebureau wegens afluistergevaar nog met briefjes met hem communiceerde, al op een papiertje geschreven: ‘Zalm vond hem een gevaarlijke man en ik ook’. Maar nadat we dat briefje tot processtuk hadden gemaakt, hield Plooij vol dat hij gelijk had. Zelfs na het vonnis heeft hij dat nog gezegd.”

Böhler doelt op een interview dat Plooij na het vonnis in de zaak Van der G. gaf aan de Volkskrant. „Het lijkt er nog steeds sterk op dat zijn werkelijke motief ligt in zijn opkomen voor dierenrechten en het milieu”, aldus Plooij. Dit leverde hem niet alleen binnen de Amsterdamse rechtbank, maar ook binnen het OM kritiek op. „Dat was een vreemde actie van Koos”, zegt een collega die anoniem wil blijven. „Het is niet chique om vlak na een vonnis, in een zaak die ook nog eens in beroep naar een hogere rechter gaat, zo uitvoerig een uitspraak te becommentariëren. Maar het past wel bij Koos: als hij iets vindt, dan gaat hij ervoor.”

Böhler, die Plooij ook meemaakte in een aantal anti-terreurzaken, noemt de aanklager schertsend ‘de Donner van het OM’. Volgens haar heeft hij de neiging te moraliseren: „Hij is er niet vies van om het morele geweten van de gewone mens te cultiveren. Soms denk je dat hij zich een beetje verheven voelt.”

Koos Plooij is van strenggereformeerde huize. Hij groeide op in de omgeving van Utrecht. Zijn keuze voor rechten was weinig gemotiveerd. „Omdat ik niets anders wist”, zegt Plooij in een interview in het juristenblad Ars Aequi. Hij blonk niet uit. Als vrachtwagenchauffeur bij zijn vaders veevoederbedrijf verdiende hij er wat bij. De meeste belangstelling kreeg Plooij voor staats- en bestuursrecht, en voor het strafrecht.

Plooij zat aan het einde van zijn studie bij de reformatorische vereniging CSFR. Zijn scriptie ging over strafbare godslastering. In 1986 werd die uitgegeven door een fonds van de Bond tegen Vloeken. Het boekwerkje is nu nog verkrijgbaar bij de bond. Voor drie euro, exclusief verzendkosten. In een wat archaïsche schrijfstijl geeft Plooij er blijk van dat hij zich er over opwindt dat „de Godslasteringsproblematiek niet vereerd is geweest met ruime juridische interesse; het woord ‘juridische’ kunnen we rustig weglaten, de belangstelling is algeheel vrijwel nihil [...]”.

Godsdienstige gevoelens omschrijft hij als „de meest tere en heilige gevoelens die een mens kan koesteren”. Plooij komt tot de slotsom dat de overheid moet ingrijpen bij godslastering. Met kanttekening: „Het middel van strafrecht om anderen een bepaalde overtuiging bij te brengen is weinig overtuigend. Toch kunnen we het niet achterwege laten bij gebrek aan beter.”

In de tijd dat hij na zijn studie de raio-opleiding deed, woonde Plooij in Odijk, vlakbij Utrecht. Zijn leermeester was Hans Hofhuis, nu president van de Haagse rechtbank. „De beste die ik ooit heb mogen opleiden”, zegt Hofhuis. „Hij kon een zaak goed uiteenrafelen.” Hofhuis zag in Plooij vooral een rechter. Hij hoopte dat hij die stap zou nemen. „Soms denk ik dat ik het niet goed heb gedaan.”

Plooij was in die periode kort actief bij de gereformeerde bondsgemeente Werkhoven. Hij gaf als jeugdouderling geestelijke bijstand aan jongeren. Dat kon hij goed, herinnert toenmalig diaken J. van Eck zich. „Hij zocht niet snel de confrontatie in een discussie. Een rustige jongen, met een goed verstand. Goed in compromissen sluiten.” Van Eck weet nog dat hij vrij plotseling vertrok uit Odijk. Dat kwam volgens hem omdat Plooij en zijn vrouw uit elkaar gingen. „Ik denk dat Koos toen vond dat hij geen voorbeeldfunctie meer had. Dan wordt je werk in de kerk moeilijk.”

In het interview in Ars Aequi zegt Plooij: „Ik ben geen zendeling. Maar ik vind het mooi om iets te doen voor de publieke zaak.” Godsdienst was eind 2005 en begin 2006 een belangrijk onderdeel in het proces tegen de leden van de Hofstadgroep.

Plooij onderstreepte dat niet de islam terechtstond, maar radicaal politieke ideeën die als bindmiddel voor een terroristische organisatie fungeerden. Godsdienstvrijheid was niet in het geding, zei hij, al vindt die vrijheid wel zijn begrenzing in de veiligheid van anderen.

Al tijdens zijn opleiding tot officier gingen de scherpe kantjes van zijn geloof af. Teeven zegt weinig te hebben gemerkt van zijn achtergrond. „Ik kon behoorlijk vloeken. Koos kon daar goed tegen.” Plooy rijdt in een rode cabrio, en zondag is niet meer de rustdag. Teeven: „Op vrijdag zeiden we tegen elkaar: tot maandag. Ik ging dan toch zondag even naar het werk. En dan zat Koos er ook.”

De donkere kant van de samenleving. Het heeft iets spannends om daar mee bezig te zijn, vindt Plooij. De zware criminaliteit boeit hem het meest. Daarom ging hij van Utrecht naar Amsterdam. En hij vertrok naar het landelijk parket toen daar de zware criminaliteit werd ondergebracht. „Een vrij natuurlijke overgang”, zegt hij in Ars Aequi.

Daar vertelt Plooij niet het hele verhaal. Zijn overgang was het gevolg van wat er op 1 augustus 2003 gebeurd zou zijn. Zoals Plooij later openbaarde kwam er die dag een advocaat bij hem met de waarschuwing dat Albanese huurmoordenaars op weg waren om hem te vermoorden. Op stel en sprong werden strenge veiligheidsmaatregelen genomen. Plooij werd permanent bewaakt, hij kon niet meer naar huis. Fred Teeven kreeg de leiding over het onderzoek, dat uiteindelijk doodliep.

De advocaat in kwestie zegt, op basis van anonimiteit, dat het niet zo is gegaan als Plooy beweert. Ze spraken elkaar die dag wel. Maar het ging over iets anders. „Aan het eind van dat gesprek vroeg hij of ik iets wist over een bedreiging van hem. Ik zei: ja. Maar veel advocaten hadden daar al iets over gehoord. Plooij heeft zijn verhaal in een proces-verbaal neergelegd alsof hij het van mij had gehoord. Daarmee heeft hij mij opzettelijk in gevaar gebracht.”

Plooij kreeg felle kritiek nadat hij in een tv-interview met Paul Rosenmöller in 2004 verklaarde dat een advocaat hem had getipt over de bedreiging. Met name strafpleiters vielen over hem heen omdat hij de hele advocatuur in diskrediet had gebracht. De kwestie leidde ook tot een stevige botsing van Plooij met toenmalig voorzitter Joan de Wijkerslooth van het College van Procureurs-Generaal. Die gaf het landelijk parket geen toestemming om een criminele getuige te gebruiken in het onderzoek naar de bedreiging. De getuige was te onbetrouwbaar, vond De Wijkerslooth. Onderzoeksleider Teeven was het daar niet mee eens, net als Plooij zelf, die tot ergernis van de top van het OM nauw betrokken was bij het onderzoek in zijn eigen zaak.

Plooij schreef in die tijd ook een artikel in het tijdschrift Trema waarin hij pleitte voor het flexibeler toepassen van de regels bij het sluiten van ‘deals’ met criminelen. Zijn leermeester Hans Hofhuis: „Dat artikel lag gevoelig. Moedig dat Koos zijn nek uitstak.”

Zijn collega’s steunden Plooij. De Wijkerslooth moest zich op een rumoerige bijeenkomst verdedigen. Hij wilde uitleggen dat de bedreiging serieus werd genomen, maar dat de officieren niet de objectiviteit uit het oog moesten verliezen nu het één van hen betrof. „De boze buitenwereld kwam even heel dichtbij”, zegt een betrokkene.

Plooij vertrok naar het landelijk parket. Hij was teleurgesteld in de Amsterdamse hoofdofficier Leo de Wit die hem onvoldoende zou hebben gesteund. Dat hij daar verder kon met de bestrijding van de zware criminaliteit, zoals de groep rond Holleeder, was ook een belangrijke reden.

Inmiddels voelt Plooij zich veilig, zegt hij. Wat hij in 2003 en 2004 meemaakte, is hij „allang kwijt”.

Met medewerking van Joost Oranje.