Geef migratie niet alleen de schuld

Economische verschillen zijn van grotere invloed op samenhang in de samenleving dan etnische diversiteit. Tom van der Meer c.s. zijn het oneens met politicoloog Putnam.

Onlangs beweerde de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam dat immigratie en etnische diversiteit op de korte termijn schadelijk zouden zijn voor de sociale cohesie (NRC Handelsblad, 30 juni 2007). Wanneer de samenstelling van een samenleving etnisch divers is, kruipen zowel nieuwkomers als autochtone burgers, zo stelde hij, „in hun schulp”. De stelling is erg prikkelend, niet in de laatste plaats vanwege mogelijke beleidsconsequenties.

Putnams idee blijft rondzingen. Zo verwees columnist John Lloyd naar Putnam (NRC, 20 augustus 2007), en haalde ook SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan het artikel aan in het VPRO-televisieprogramma Zomergasten (19 augustus 2007). Toch doen wetenschappers en beleidsmakers er goed aan de conclusies van Putnam niet klakkeloos over te nemen. Hij houdt onvoldoende rekening met alternatieve verklaringen voor een geringe sociale cohesie. Bovendien blijkt uit ons onderzoek, waarin wij die alternatieve verklaringen wel opnemen, dat Putnams conclusie voor Europa niet opgaat.

Putnam baseert zijn bewijs op een vergelijking van 41 steden en regio’s in de Verenigde Staten. Hij stelt vast dat de inwoners van grote steden als Los Angeles en San Francisco elkaar minder vertrouwen, minder vrienden hebben en minder vrijwilligerswerk doen – kortom, minder ‘sociaal kapitaal’ hebben – dan de inwoners van landelijke gemeenschappen als Fremont, Michigan (ca. 4000 inwoners). Inderdaad zien we zulke verschillen tussen stad en platteland ook in Europa. Volgens Putnam komt dat doordat de etnische diversiteit veel groter is in de grote steden dan op het platteland. Hij bouwt theoretisch voort op een algemeen aanvaard idee dat ongelijkheid en diversiteit sociale cohesie ondermijnen, omdat burgers zich daardoor bedreigd voelen. In NRC Handelsblad concludeert Putnam dat etnische diversiteit de belangrijkste verklaring is voor de afwezigheid van sociale cohesie.

Kortom, we hebben een misdaad (een relatief laag niveau van sociale cohesie in de grote steden), een verdachte (immigratie en etnische diversiteit) en een verklaring. Zaak gesloten? Wat ons betreft niet. In zijn bewijsvoering laat Putnam namelijk steken vallen.

Putnam baseert zijn bewijs grotendeels op zogeheten ‘bivariate’ verbanden, de relatie tussen twee kenmerken (etnische diversiteit en vertrouwen) zonder de invloed van andere omstandigheden (zoals inkomensongelijkheid) te verdisconteren. Hij observeert minder sociale cohesie in de grote Amerikaanse steden dan op het platteland, en stelt vast dat dit samengaat met een grotere etnische diversiteit in deze steden. Maar de wetenschappelijke literatuur werpt meer mogelijke verklaringen op: grote steden zijn grootschaliger, jachtiger, de inkomensverschillen tussen bevolkingsgroepen zijn er groter en misdaad komt er beduidend vaker voor. Om te kijken welke verklaring het beste is, zou je ze gezamenlijk moeten analyseren.

Vorige maand publiceerde Putnam een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift waarin hij ook concurrerende verklaringen meeneemt in zijn analyse (‘E Pluribum Unum: Diversity and Community in the Twenty-first Century’ in Scandinavian Political Studies).

Wat blijkt? Uit zijn onderzoek rollen maar liefst negen andere verklaringen die het ‘beter’ doen dan etnische diversiteit. Leeftijd, etniciteit, opleiding, armoede in de gemeenschap en misdaadcijfers zijn allemaal betere verklaringen voor verschillen in sociale cohesie. Dit komt niet overeen met zijn eigen conclusie in NRC Handelsblad, dat „etnische diversiteit de factor is die het meest wordt geassocieerd met sociaal isolement”.

Nader onderzoek is nodig om Putnams intrigerende stelling te toetsen. Bovendien is het maar de vraag of zijn verklaring opgeld doet in Europa. Daarom hebben wij onderzocht of etnische diversiteit en/of immigratie van invloed zijn op de sociale cohesie in 28 Europese landen. We hebben ons onderzoek gebaseerd op gegevens die in 2004 zijn verzameld bij duizenden inwoners van 28 Europese landen (Eurobarometer 62.2) waarmee het mogelijk is om de opvattingen en gedragingen inzake sociale cohesie onderling te vergelijken, verschillen tussen landen vast te stellen en deze verschillen te verklaren met kenmerken van die landen. Hierbij hielden wij rekening met een aantal concurrerende verklaringen: naast etnische diversiteit en immigratie keken we naar landskenmerken als economische ongelijkheid, sociale zekerheid, economische ontwikkeling en democratisch verleden.

De uitkomsten van ons onderzoek weerleggen duidelijk Putnams betoog. We hebben geen invloed kunnen aantonen van etnische diversiteit en immigratie op de sociale cohesie in Europa. Twee andere verklaringen blijken daarentegen veel belangrijker. Ten eerste vermindert economische ongelijkheid de sociale cohesie: hoe groter de inkomensverschillen in een land, hoe minder burgers bereid zijn samen te werken en elkaar te helpen. Dit duidt erop dat niet zozeer etnische en culturele, maar veeleer economische scheidslijnen van invloed zijn op de dagelijkse omgang tussen burgers. Maar bovenal is in Europa het democratisch verleden van een land bepalend voor de sociale cohesie. In feite is Europa op te delen in drie blokken: (1) de oude democratieën van Noordwest-Europa, (2) de voormalig autoritaire regimes van Zuid-Europa, en (3) de voormalig communistische landen in Oost-Europa. Waar de sociale cohesie in Noordwest-Europa erg hoog is, zitten burgers in de rest van Europa ‘in hun schulp’. In het zuiden en in het oosten hebben burgers minder vertrouwen in elkaar, geven ze elkaar minder hulp en is het verenigingsleven veel marginaler – een erfenis van de autoritaire en totalitaire periodes, waarin burgers elkaar niet durfden te vertrouwen. Deze twee factoren – inkomensongelijkheid en democratische geschiedenis – en niet etnische diversiteit, verklaren in Europa landsverschillen in sociale cohesie.

Vanuit ons onderzoek zouden we (Europese) beleidsmakers dan ook hele andere adviezen meegeven. Om de sociale cohesie in Nederland te stimuleren zijn etnische diversiteit en immigratie minder relevant. In plaats daarvan kunnen we ons beter richten op een waarborg van democratische rechten en op het reduceren van economische ongelijkheid.

Drs. T.W.G. van der Meer,dr. M.J.W. Gesthuizen en prof.dr. P.L.H. Scheepers zijn werkzaam aan het Nijmeegs Instituut voor Sociaal-Cultureel Onderzoek (NISCO) van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Het artikel van Robert Putnam ‘De prijs van immigratie: door grote verschillen kruipen mensen in hun schulp’ is na te lezen op nrc.nl/opinie

    • Tom van der Meer C.S