Huilende wind, het pfioei van een Winchester

In het programma dat het filmfestival van Venetië aan de Italiaanse spaghetti western wijdt, is zelfs de zwakste film onweerstaanbaar. Omdat alles wat naar het Wilde Westen ruikt, als vanzelf film wordt.

Vechtscène uit Sukiyaki Western Django van de Japanse regisseur Miike Takashi die in Venetië in première gaat. scene uit de film Sukiyaki Western Django (2007)
Vechtscène uit Sukiyaki Western Django van de Japanse regisseur Miike Takashi die in Venetië in première gaat. scene uit de film Sukiyaki Western Django (2007)

Bas Blokker

Waarom bestaat er eigenlijk geen spruitjes western? Italianen zijn toch ook spaghetti westerns gaan maken? De Spanjaarden hebben hun paëlla westerns, Johnny Woo heeft dim sum westerns gemaakt in China, Duitsers hebben in Joegoslavië Sauerkraut westerns opgenomen met Winnetou, en in het hoofdprogramma van Venetië zit dit jaar een film van de Japanner Miike Takashi die Sukiyaki Western Django heet, naar het Japanse eenpansgerecht Sukiyaki. Quentin Tarantino speelt er een rolletje in.

Maar in Nederland heeft kennelijk nooit iemand gedacht: dat oer-genre van filmland Amerika kunnen wij hier ook kopiëren. Joris Ivens misschien, toen hij met zijn familie Wigwam opnam. In 1911 was dat en Joris was toen een knulletje van dertien. Telt dat wel?

Geen Nederlandse regisseur of producent die in de jaren zestig aangestoken raakte door de opwindende spaghetti van regisseurs als Sergio Leone en Sergio Corbucci. De Flevopolders waren nog gloednieuw en leeg. Een paar houten hutjes, wat Friese paarden, modder, de big sky en voilà: Terence Hill komt een stadje binnenrijden als ijskoude, maar dodelijk aantrekkelijke revolverheld. Hij krijgt meteen ruzie met foute sheriff Rijk de Gooijer, schiet vijf, zes figuranten neer en kruist zo het pad van de gecoiffeerde opperschurk Manfred de Graaf. Zijn enige helper is Lou Landré als de bangelijke kroegbaas, en er zijn bijrolletjes voor Hans Molenkamp als premiejager, Pim de la Parra als Mexicaanse bandiet, Alexandra Stewart als hoer en natuurlijk Herbert Joeks als de indiaan.

Maar was het ooit zo mooi geworden als wat de Italianen maakten? Die hebben halverwege de jaren zestig het ingedommelde Amerikaanse genre nieuw leven ingeblazen, door fris en vrolijk te jatten uit alles wat hun beviel, de westerns van Ford en Hawks, de samoerai-films van Akira Kurosawa, de toneelstukken van Shakespeare, hun eigen opera’s. De combinatie was harder, geestiger, cynischer en opwindender dan de Amerikaanse western ooit was geweest.

Op de feesteditie van het filmfestival van Venetië (75 jaar oud) wordt de Western all’ Italiana gevierd met een programma van 32 titels, van Django tot Una ragione per vivere e una per morire. Bovendien is er een retrospectief vol westerns van Budd Boetticher te zien en de gerestaureerde Italiaanse versie van Un pugno di dollari, internationaal beter bekend als A Fistful of Dollars van Sergio Leone. Met deze film uit 1964 werd de spaghetti western geboren. Leone gaf Clint Eastwood de hoofdrol van zijn leven, haalde Ennio Morricone erbij als componist en de rest is geschiedenis: met Per gualche dollaro in più (For a Few Dollars More, 1966) en Il buono, il bruto e il cattivo (The Good, the Bad and the Ugly) vormde hij de perfecte trilogie en tal van Italiaanse regisseurs stonden ineens cowboys en indianen te regisseren rond Almería in Spanje of in de Italiaanse Abruzzen.

Donderdag betrad een man van tegen de tachtig en misschien 1,60m hoog het podium voorin Sala Perla van het filmpaleis op het Venetiaanse Lido. Hij droeg een houthakkersbloes, grijze pantalon en lichtbruine instappers. In zijn linkerhand hield hij denkbeeldige teugels, met zijn rechter wenkte hij een onzichtbaar cavalerie-regiment. Zo vertelde Alberto de Martino, maker van dertig films, waaronder een handvol spaghetti westerns, over zijn regie-avonturen in het Wilde Westen. Donderdag leidde hij zijn eigen 100.000 dollari per Ringo (1966) in. Richard Harrison speelde de hoofdrol als op goud beluste revolverheld die zijn hart laat spreken als een weesjongetje van zeven denkt dat hij zijn vader is. „Scusami voor het melodramatische einde”, waarschuwde de regisseur tevoren.

Want ja, ze waren echt niet allemaal even meesterlijk die spaghetti westerns. In Venetië zien we de uitgerangeerde Amerikaanse acteurs terug of hun Europese collega’s in kleren met potsierlijk veel stukken leer die in de wilde weg schieten en toch altijd hun doel raken. Het verraad, de hebzucht en de zedeloosheid komen zo vaak voorbij dat het sjablonen worden in plaats van een ironisch Europees commentaar op Amerikaanse zelfverheerlijking.

En toch is het onweerstaanbaar. En toch klappen de mensen in de zaal als Ringo zijn stiefzoon optilt op het slagveld. Toch joelt, een avond later, de hele zaal als Django met zijn machinegeweer twintig, dertig schurken neer maait. Of als in diezelfde film Django (Sergio Corbucci, 1965) van een slechterik het oor wordt afgesneden (buiten beeld, wel veel bloed) en hij het zelf moet opeten.

Waarom? Omdat alles wat naar het Wilde Westen ruikt, bijna als vanzelf film wordt. De voortrazende paarden. Het gerinkel van de sporen en het geratel van de cilinder van een Colt .45. Het pfioei van een Winchester. Het huilen van de wind en het janken van een mondharmonica.

Zelfs al die Italiaanse mindere goden die Leone nauwgezet probeerden te kopiëren, met de Amerikaanse acteurs, de muziek van Morricone, de leugenachtige premiejagers, de vernederde Mexicanen en alle corrupte gezagsdragers, ja tot de vormgeving van de titelrol aan toe – zelfs die naäpers weten nog films te maken die je tot het eind wil uitzien. En het is ook niet erg dat iedereen op het doek Italiaans spreekt (met een enkele zin Spaans voor de Mexicanen). Het helpt zelfs. Clint Eastwood die in het laatste shot van Un pugno di dollari wegrijdt op zijn muilezel en nog eenmaal zijn hoed afneemt voor de kroegbaas die hem heeft gered en die hij op zijn beurt heeft gered. Salve, roept hij.