Ze heeft een stoppelbaard

Uitingen van travestie zijn een constante in de geschiedenis van de moderne kunst. Dat verzet tegen denken in man-vrouwhokjes blijft nodig, volgens een nieuwe generatie kunstenaars die van verkleedpartijen en rollenspel haar thema maakt.

Op het eerste gezicht is er niets vreemds te ontdekken aan de foto die kunstenaar Man Ray in 1921 maakte van Rrose Sélavy. Een portret van een welgestelde dame, zo lijkt het. De hoed die ze draagt is modieus en een beetje artistiek. Met haar handen duwt ze de kraag van haar bontmantel tegen haar wangen – heerlijk zacht moet dat gevoeld hebben. Haar vingers zijn lang en slank, maar of ze eelt op haar handen heeft en hoe lang haar nagels zijn, is niet te zien. Daarvoor is de foto net wat te onscherp.

Het zijn haar ogen die haar verraden. Die zijn aangezet met donkere oogschaduw en proberen zo zwoel mogelijk vanonder de hoedrand naar de fotograaf te kijken. Toch lukt het ze maar niet in slaapkamerogen te veranderen. Er is te weinig wimper. En de wenkbrauwen zijn net weer wat te vol en breed, terwijl dunne streepjes in die tijd mode waren. Nee, dit zijn onmiskenbaar de ogen van een man.

Rrose Sélavy was in de jaren twintig een tijdlang het pseudoniem van de Franse kunstenaar Marcel Duchamp (1887-1968). Hij signeerde enkele van zijn kunstwerken met haar naam, die bij snel uitspreken klinkt als ‘eros, c’est la vie’. En hij liet zich door zijn boezemvriend Man Ray, glamourfotograaf bij Vogue, meerdere malen als zijn alter ego vereeuwigen – precies zoals in die tijd gebruikelijk was: als verleidelijke femme fatale, gevangen in soft focus.

De foto was vorig jaar een van de vele hoogtepunten op de grote Dada-tentoonstelling die van Parijs naar Washington en New York reisde. Afgelopen maand moest ik er, tijdens een bezoek aan de New Yorkse galerie Sean Kelly, opeens weer aan denken. Onder de noemer Role Exchange hingen daar foto’s en video’s van een dertigtal vooraanstaande hedendaagse kunstenaars. En allemaal deden ze zich, net als Marcel Duchamp, voor als iemand anders.

Er hing een prachtig zelfportret van de in 1989 aan aids overleden fotograaf Robert Mapplethorpe, die zich op Duchampiaanse wijze in een bontjas had gehuld en zijn gelaat flink vol had gesmeerd met rouge, oogpotlood en lippenstift – met een overtuigend vrouwenportret als resultaat. En er hing een intrigerende foto van de Amerikaanse kunstenaar Lyle Ashton Harris, die zich – ook al met bontkraag – had verkleed als jazz-zangeres Billie Holiday. Alle details van de compositie klopten: de parelketting om de nek, de veren in het haar, de manier waarop het hoofd vol overgave achterover was geslagen, en de wijd opengesperde mond. Alleen jammer dat Harris’ armen net wat te gespierd waren om voor een geloofwaardige zangeres door te gaan.

Op deze expositie was goed te zien hoe er een directe lijn te trekken was van Rrose Sélavy naar het heden, via bijvoorbeeld de Self Portaits in Drag van Andy Warhol tot de travestiefoto’s van de Schotse kunstenaar Douglas Gordon. Warhol had er lol in om verkleed als vrouw op feestjes te verschijnen, soms in jurken die hij zelf had ontworpen. In 1981 liet hij zich tijdens een van zijn verkleedpartijen fotograferen door zijn assistent Christopher Makos. In twee dagen tijd ontstonden zo’n 350 polaroids, waarop Warhol met steeds verschillende pruiken werd vastgelegd. De ene keer oogde hij als een ordinaire Patsy uit Absolutely Fabulous, dan weer als een strenge Nancy Reagan. Door het harde flitslicht en de waterige polaroidkleuren zag de kunstenaar er op alle foto’s even kwetsbaar uit. Zijn opgemaakte ogen lagen diep in zijn bleke gezicht. Zijn knalrode lippen pruilden.

In de New Yorkse galerie was Douglas Gordons fotoserie Staying Home and Going Out (2005), als een hommage, direct naast Warhols polaroids gehangen. De Schot heeft Warhols verkleedsessie een kwarteeuw later nog eens dunnetjes overgedaan, en zich afwisselend met blonde en donkere pruiken getooid. Zijn gezicht is professioneel wit gepoederd, maar zijn weelderige borst- en armhaar is wel prominent in beeld. Alsof Gordon duidelijk wilde maken dat hij, in tegenstelling tot Warhol, wél een echte vent is.

Verwarring zaaien, dat lijkt het

belangrijkste motief van kunstenaars die zich in travestie hebben laten vereeuwigen. Sommige van hen zetten hun drag-act ook in het echte leven voort, zoals de Britse Turner Prize-winnaar Grayson Perry, maar dat zijn uitzonderingen. Voor de meeste kunstenaars is de maskerade een methode: ze willen de toeschouwer confronteren met zijn eigen vooroordelen. Hem laten zien dat er meer varianten zijn dan de vanzelfsprekende tweedeling tussen mannen en vrouwen. Hem laten ervaren dat hij nog altijd schrikt van een vrouw met een baard of een man met borsten.

Je zou zeggen dat dit soort tactieken intussen wel achterhaald zouden zijn. Vrouwen in maatpakken zijn in de huidige tijd allang niet meer shockerend, en omgekeerd durven heteromannen hun vrouwelijke kant steeds meer te laten zien nu ze weten dat ‘metroseksueel’ ook heel sexy kan zijn. Toch is er de laatste jaren opnieuw een generatie kunstenaars opgestaan die van maskerades en rollenspel haar thema heeft gemaakt. Want blijkbaar wordt er, ondanks talloze seksuele revoluties, nog altijd te veel in man-vrouwhokjes gedacht.

In Nederland werkt Risk Hazekamp sinds tien jaar aan een fotografisch oeuvre waarin ze zich steeds in andere personages verplaatst. Eerst was ze James Dean, toen een soort Marlboro Man, en daarna stierenvechter. Ze speelt met de clichés die over mannelijkheid bestaan, maar verloochent tegelijkertijd haar vrouwelijkheid niet. Haar ogen zijn opgemaakt, haar wenkbrauwen geëpileerd, én ze heeft een stoppelbaard. Hazekamp liet zich inspireren door de Amerikaanse filosofe Judith Butler, die in haar succesvolle boek Gender Trouble (1990) de verdeling in twee seksen verwerpt. Hazekamp wil niet kiezen tussen man of vrouw – zij onderzoekt een tussenvorm die je ‘femanliness’ zou kunnen noemen.

Volgens Hazekamp hangt er rond gender-thema’s nog steeds veel negativiteit, „vooral als je buiten de grote steden komt”. Zelf woont ze sinds kort in Berlijn. „Een heerlijke stad”, zegt ze. „Het lijkt wel of iedereen hier transgender, queer of travestiet is. Ik voel me hier thuis, maar tegelijkertijd voelt het alsof je in een soort reservaat zit. Want zodra je de stad verlaat zijn de keuzemogelijkheden opeens veel minder groot en besef je dat je in een subcultuur leeft. Buiten deze subcultuur ben je óf man óf pot. Er is geen ruimte voor tussenvormen. Je moet kiezen.”

Dat laatste ondervond Hazekamp toen ze op zoek ging naar een plek op het platteland waar ze aan nieuw werk kon beginnen. „Veel van mijn foto’s zijn in de studio tot stand gekomen, met behulp van diaprojecties. Ik wilde nu wel weer eens portretten in het landschap maken. Er bestaan heel veel artist-in-residence-plekken in mooie natuurgebieden. Maar het is niet altijd even makkelijk om uit te leggen waar je werk over gaat. Ik houd me de laatste tijd bezig met dubbele travestie, ook wel biodrag genoemd. Dat zijn vrouwen die mannen nadoen die zich als vrouw verkleden.”

Het lijkt wel of haar zorgvuldig geënsceneerde foto’s steeds uitgesprokener worden. In haar vroege werk wentelde ze haar tengere lichaam vaak in de outfits van eenzame cowboys die, meestal met een sigaret in de hand, over de prairie staarden. Haar recente serie speelt zich af in de grote stad, en toont jonge drag-kings – vrouwen met baarden – tegen een achtergrond van graffiti. Ze voelen persoonlijker, deze nieuwe werken, zegt Hazekamp. „Ik speel minder een rol dan vroeger.”

Natuurlijk zoekt ze met haar foto’s de confrontatie op, zegt Hazekamp. „Maar er zit ook altijd humor in, en een zekere luchtigheid. Je moet niet direct zien dat het een vrouw is die achter die baard schuilgaat.” Daarin verschilt haar werk bijvoorbeeld met dat van Cindy Sherman. „Bij haar is alles fake, ik probeer juist om toch een raakvlak te hebben met de werkelijkheid. Ik maak deel uit van deze wereld en probeer van binnenuit tegen de grenzen van het systeem te duwen. Voor mijn laatste werken heb ik ook met andere modellen dan mijzelf gewerkt. Maar zij zijn wel drag-kings. Het is hun echte leven.”

Een andere opvallende verschijning

in de Nederlandse kunstwereld is DJ Chantelle. Een jaar of vijf geleden zong haar naam opeens rond in het Rotterdamse kunstcircuit. Er scheen een Franse kunstenares in de havenstad neergestreken te zijn, een zwaar opgemaakte dame die zich altijd in mannenpakken kleedde. Ze exposeerde met regelmaat in de Rotterdamse kunstruimte Showroom MAMA en maakte werk waaruit een groot verlangen naar decadentie sprak.

DJ Chantelle was, zo bleek later, het alter ego van Boris van Berkum, oprichter en curator van MAMA. Zelf spreekt Van Berkum over zijn ‘avatar’. „Ze is een uit de hand gelopen pseudoniem”, vertelt hij. „Ik heb haar in het leven geroepen toen ik mijn carrière als kunstenaar wilde hervatten.”

DJ Chantelle maakte kunst die wulps, barok en over the top was. Ze werkte met traditionele materialen als keramiek, glas en graniet, maar tekende ook politieke cartoons en hield performances waarin ze gekleed in strak korset en lurkend aan een opiumpijp chansons van Edith Piaff ten gehore bracht. Het leek alsof ze vanuit een andere tijd tot ons gekomen was.

Smakelijk kan Van Berkum vertellen over de keer dat hij als adviseur de gemeente kwam informeren over het Marten Toonder-monument. „De commissie wist niet dat ik als DJ Chantelle lid was van kunstenaarscollectief de Artoonisten. Dus hield ik eerst mijn eigen voordracht en zei toen dat mevrouw Chantelle verlaat was omdat ze uit Amsterdam moest komen, want ze wenste alleen in het Amstel Hotel te slapen. Vervolgens schoor ik snel mijn baard af, zette mijn Beatrix-pruik op en stapte als DJ Chantelle naar binnen, met een Frans accent en een aanwijsstokje. Er werden wel een paar wenkbrauwen opgetrokken, maar verder werd ze met alle egards behandeld.”

Kunstenaars proberen taboes

te doorbreken of ontplooien hun eigen seksualiteit. De motieven om zich tot het andere geslacht te verhouden waren voor iedere generatie verschillend. De travestie-act van Marcel Duchamp is te verklaren vanuit de rest van zijn oeuvre. Duchamp tornde aan het begrip authenticiteit, door zijn kunstwerken te signeren met andere namen. Boris van Berkum gebruikte zijn dadaïstische creatie DJ Chantelle om een eind te maken aan het onderscheid tussen zijn rol als curator en die als kunstenaar. „Maar soms werkte ze ook wel tegen me, en zat ze als een stoorzender tussen mij en mijn werk in. DJ Chantelle was een clowneske figuur, die nooit helemaal serieus werd genomen.”

Begin dit jaar is Van Berkum gestopt bij MAMA. Hij richt zich op zijn eigen kunstenaarschap. DJ Chantelle is daarbij overbodig. Of ze ooit terugkomt, is de grote vraag. „Het was ook wel een hoop gedoe, steeds je baard afscheren en je lippen stiften. Misschien dat ik haar als avatar nog eens aan iemand kan doorgeven. Want ze is toch een heel bijzonder karakter.”

‘Self Portraits in Drag’ van Andy Warhol: 11 okt t/m 13 jan bij ‘Other Voices, Other Rooms’ in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Inl: www.stedelijk.nl. Werk van Risk Hazekamp is van 29 sept t/m 4 nov te zien op ‘Verborgen Vrouwen’ in Museum Ons’ Lieve Heer op Solder, Amsterdam en van 22 sept t/m 21 okt op ‘Reality Crossings’, het fotofestival in Mannheim. Werk van Boris van Berkum is t/m 23 maart te zien op ‘Nieuwe aanwinsten’ in het Groninger Museum. ‘Role Exchange’ in New York is afgelopen. Zie: www.skny.com.