‘Ik zeg dus nu: ik ga een korte roman schrijven’

‘Ik heb geen behoefte aan structuur’, zegt Sanneke Lidewij van Hassel (Rotterdam, 1971). Van Hassel zat op het Montessori Lyceum in haar geboortestad en studeerde Theaterwetenschappen en Cultuurgeschiedenis in Utrecht. Jaren werkte ze in alle functies, behalve acteur, bij toneelgezelschap ’t Barre Land. In die tijd begon ze met het schrijven van korte verhalen. ‘Het is de uitingsvorm waarbij het meest mijn eigen stem te horen is.’ De eerste bundeling verhalen, IJsregen, werd in 2005 enthousiast ontvangen in de pers. Van Hassel werd geprezen om de sobere en indringende toon van haar verhalen. In juni van dit jaar verscheen een tweede bundel, Witte veder, die opnieuw positief werd besproken. Het boek is inmiddels genomineerd voor de Roermondse Halewijnprijs voor schrijvers die niet bij het grote publiek bekend zijn. Een gesprek met de schrijfster in haar woning in Rotterdam.

Foto’s Vincent Mentzel Sanneke van Hassel (1971),auteur,writer. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 30 mei 2007
Foto’s Vincent Mentzel Sanneke van Hassel (1971),auteur,writer. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 30 mei 2007 Mentzel, Vincent

De verhalen die u schrijft beginnen: paf! en eindigen: wap! Als losse fragmenten. Waarom schrijft u zo?

„Omdat ik zo naar de dingen kijk. Voor mij klopt het op die manier beter dan wanneer ik er een groter geheel van zou maken.”

Waarin alles samenhangt?

„Neem nu de roman Atonement van Ian McEwan. Het is een prachtige roman, maar McEwan laat op het eind alles samenkomen. Ik voelde me als lezer toch een beetje bedrogen. Zo is het nooit in het echt? Het lijkt wel een Hollywoodfilm.”

Een film als ‘Short Cuts’ van Robert Altman komt ook uit Hollywood en speelt in Los Angeles. Maar daar staan de verhalen toch juist los van elkaar?

„Ik denk dat er tussen verhaallijnen in de film meer verbindingen bestaan dan tussen de verhalen van de schrijver Raymond Carver, die als basis voor Short Cuts dienden.”

Maar mag er dan geen enkel verband bestaan?

„Uiteindelijk hoop ik dat als je mijn verhalen over dertig jaar naast elkaar legt, je een bepaald tijdsbeeld krijgt. Op die manier kan er natuurlijk samenhang bestaan. Maar ik hou niet van te veel structureren. De belangrijkste reden waarom ik graag in medias res begin en voor het einde eindig is omdat ik niet alles wil voorkauwen en ook nog wat aan de verbeelding wil overlaten.”

Zoekt u bewust naar variëteit in de onderwerpen, de personages of de locaties?

„In Witte veder spelen alle verhalen zich in de stad af. In een aantal geef ik de stereotype beelden van een Turkse garagehouder en een Marokkaanse Hammaneigenaressen een draai. Daar blijk ik dan mee bezig te zijn. ”

Is die toevalligheid kenmerkend voor uw schrijfproces?

„Niet alleen toeval. Ik woonde hier in Rotterdam een tijdje aan de Heemraadsingel, best chique. Drie straten verderop is het sociale woningbouw wat de klok slaat. Wat mij fascineert is de plaats waar die twee elkaar ontmoeten, dat kruispunt.”

En met zo’n fascinatie gaat u dan aan de slag.

„Het gaat eerder omgekeerd. Ik loop op straat, zie dat kruispunt, schrijf er een verhaal over en besluit dan: dat is kennelijk een fascinatie van mij. Maar ik zou net zo goed door totaal iets anders gefascineerd kunnen worden. Door een chique bejaarde dame bij wie ik op de thee ga, bijvoorbeeld. Of door een krantenartikel over asbestslachtoffers.”

Dus álles kan een fascinatie worden?

„Waar het om gaat is dat mijn fascinaties bijna onbewust in mijn verhalen terechtkomen. Daarna kan ik besluiten om ze aan te scherpen, om ze uit te diepen. Het mag geen kader worden waarbinnen ik verhalen ga zoeken. ”

U heeft het schrijven lang gecombineerd met ander werk. Was dat moeilijk?

„Ik werkte bij toneelgezelschap ’t Barre Land. Dat was een soort familie. Heel intensief. Ik deed er organisatorisch en inhoudelijk werk. Daarnaast schreef ik verhalen. Het genre leent zich er wel voor.”

U bedoelt dat de spanningsboog die nodig is om een verhaal te schrijven relatief beperkt is? En u er daarom naast kon werken?

„Een kort verhaal past makkelijker in je hoofd. En het is goed om tussendoor afstand te nemen van een verhaal.”

Hoezo? Is dat bij een roman dan minder noodzakelijk?

„Bij een kort verhaal gaat het heel erg over vorm, over ‘elk woord op de juiste plek’. Bij een roman moet dat uiteindelijk ook, maar daar gaat zoveel meer tijd overheen.”

Iemand als Nescio werkte ook, en schreef daarnaast relatief korte verhalen...

„...en hij was ook perfectionistisch. Tsjechov en Toon Tellegen ook. Allen hebben of hadden ze een leven naast hun schrijverschap.”

En allemaal zijn het schrijvers van korte verhalen of gedichten.

„Tsjechov was daar eens heel gefrustreerd over. Hij was mee geweest op een reis naar Sachalin, een eiland voor gevangenen, en had daar een studieus lang verslag over geschreven. Maar het wilde geen literatuur worden. Hij wilde zo graag iets groters schrijven, maar het lukte niet.”

Kent u die frustratie?

„Ik roep altijd heel hard: het korte verhaal is gewoon een ander genre. Je hebt er weer andere talenten voor nodig. Maar je ziet wel dat veel korte verhalenschrijvers zelf toch ook denken: ‘Oh, kon ik maar een roman schrijven’.”

En? Gaat u het proberen?

„Ja. Ik heb een idee voor een roman waarin ik alle verworvenheden van het korte verhaal verwerk. Het worden allemaal korte scènes die ik stuk voor stuk kan afwerken.”

Dan is het alsof u een nieuwe verhalenbundel schrijft, maar dan met steeds dezelfde hoofdpersoon.

„Ik wil niet één hoofdpersoon, ik wil verschillende hoofdpersonen. Maar ik weet niet hoe het zal gaan. Ik laat me graag afleiden, dan is er weer dit, dan kom ik weer die tegen. Misschien dat een van de personages weer uitgroeit tot een nieuw kort verhaal.”

U werkt niet volgens de methode Thomas Rosenboom: een groot schema aan de muur met alle verhaallijnen erop.

„De dingen die hem fascineren krijgen binnen zo’n structuur een plek. Ik heb geen behoefte, ook niet in een roman, om zo’n verband aan te geven. Ik denk wel dat het nodig is bij een langer werk om met een of ander schema te werken.”

Waar zal uw roman over gaan?

„Ik wil er nu niet veel over vertellen. Als ik dat doe, is het alsof ik tegen iemand zeg dat ik verliefd ben: dan is het ineens zo. Ian McEwan zei in een interview dat het fijne van een korte roman is dat je de lezer echt even bij je kunt houden. Dat vond ik een aanlokkelijke gedachte. Ik zeg dus nu: ik ga een korte roman schrijven.”

Zal u op dezelfde manier te werk gaan als in uw verhalen?

„Grotendeels wel. Ik wil de structuur heel overzichtelijk houden. Ik wil geen lekkere vertelstem die je aan de hand neemt en zegt: ‘Op die prachtige meidag waren alle bomen groen’. Wat de structuur aangaat heb ik iets tamelijk ingewikkelds in mijn hoofd om verschillende perspectieven tot hun recht te laten komen en de verbeelding maximaal aan te spreken.”

De structuur: is dat voor u de belangrijkste uitdaging van het schrijven van een roman?

„Deels wel. Bij een kort verhaal is de structuur veel overzichtelijker, die kun je op een middag bedenken. Een andere uitdaging vormen de personages. Bij een kort verhaal identificeer ik me niet met ze. Ik zie iets voor me, dat gebruik ik. Bij een roman ben je langer met je personages samen. Ik weet niet of dat me gaat lukken.”

Een recensent in deze krant zei dat de personages in uw verhalen vaak een ‘onherroepelijke verandering’ in hun leven meemaken. Is dat het spanningsveld waarin u uw personages graag ziet?

„Het is een literair interessant gegeven. Wat gaat dat personage doen? In hoeverre is het zich bewust van de verandering? Gaat het personage ervoor knokken? Ik heb het idee dat ze in mijn verhalen rondlopen, observeren en zich niet bewust zijn, of bewust willen zijn, van zo’n verandering.”

U bent onlangs bevallen van een zoon. Hoe gaat u om met deze onherroepelijke verandering?

„Ik wil kijken in hoeverre het me lukt om werken en moeder zijn te combineren. Ik weiger ergens om me neer te leggen bij het clichébeeld van de teruggetrokken schrijver, het beeld van Proust in zijn kamer met kurken wanden. Zo kan het altijd nog worden als ik veertig ben.”

Waar en hoe schrijft u nu?

„Thuis, ’s ochtends en ’s middags. Ik kan me makkelijk concentreren en ik vind het belangrijk om iedere dag een stuk te schrijven. De ene keer blijven er na selectie veertig zinnen over, de andere dag twee.”

En die twee zinnen schrijft u dan nog drie keer om?

„Sterker nog. Als ik het boek in de winkel inkijk, dan denk ik nog: had dat niet anders gekund? Maar ik vind het goed om af en toe punten te zetten en verder te gaan.”

U heeft ‘Witte veder’ aan uw zoon opgedragen. Het openingsverhaal ‘Kistjes’ gaat over een zwangere vrouw. Was u al zwanger toen u dat verhaal schreef?

„Ja. Maar ik identificeer me niet per se met die vrouw. Ik heb bijvoorbeeld meer met de hoofdpersoon uit het titelverhaal, een oudere man met een latrelatie. Hij wil samenwonen, zij niet. Zij doet nog van alles, hij zit thuis. De sfeer in het huis ken ik uit het huis van mijn grootouders. Dat wachten ken ik uit verhalen van mensen in mijn omgeving. Er is vaak één iemand actief en één iemand die wat meer afwachtend is in een relatie.”

U woont in Rotterdam. De meeste uitgeverijen, tijdschriften en kranten zijn gevestigd in Amsterdam. Zit u in een literair netwerk?

„Ik ken wel wat mensen uit die hoek. Ton Rozeman, een collega korte verhalenschrijver. En Thomas Verbogt, een soort mentor van mij. Ik hoop binnenkort eens aan te kunnen schuiven bij de borrels die collega-schrijver Walter van den Berg regelmatig organiseert. Ik werkte natuurlijk niet voor niets bij een toneelgezelschap. Ik zoek het altijd weer op om dingen samen met mensen te doen.”

U noemt Thomas Verbogt. U heeft drie jaar cursussen gevolgd aan de Amsterdamse schrijversvakschool ’t Colofon, waar Verbogt doceert. Hoe was dat?

„Ik wist altijd al dat schrijven bij mij hoorde, maar ik moest die cursussen gaan volgen om ertoe te komen. Toen ik eenmaal verbonden was aan ’t Colofon, kon ik tegen mensen zeggen: ik kan nu niet, want ik volg een cursus en ik heb huiswerk. Ik moest langzaam groeien in de gedachte dat schrijven voor mij de meeste voldoening geeft.

Het is de uitingsvorm waarbij het meest mijn eigen stem te horen is. Waar het meest mijn eigen kwaliteiten tot hun recht komen. Bij ’t Barre Land vond ik het moeilijker om mijn artisticiteit een plek te geven.”

Voor het literaire tijdschrift ‘Tirade’ ging u naar Sarajevo, een stad waar u veruit uw langste verhaal over schreef. Bent u politiek geëngageerd?

„Ik hou erg van politieke en filosofische analyses, maar ik moet zelf vooral opschrijven wat ik zie, als ik wil dat het wat wordt. Ik moet vooral kijken en erop vertrouwen dat het goed komt.”

Dat doet me denken aan hoe poëzie tot stand komt.

„Ik heb altijd gedacht dat ik poëzie zou gaan schrijven naast of na mijn verhalen. Ik lees het wel regelmatig.”

Zowel ‘IJsregen’ als ‘Witte veder’ zijn goed ontvangen door de literaire kritiek. Verkopen ze ook goed?

„IJsregen is twee keer herdrukt. Bij de uitgeverij vinden ze dat heel goed, voor een verhalenbundel. Maar stel je er niet te veel bij voor: het leverde mij drieduizend euro op.”

Ondanks de financiële onzekerheid van het schrijverschap heeft u uw baan bij toneelgezelschap ’t Barre Land opgegeven.

„Ik heb een beurs aangevraagd, als dat lukt heb ik een soort basisje. Maar ik zal altijd andere dingen moeten doen om genoeg inkomen te genereren.”

Vindt u het leuk om, bijvoorbeeld in een bibliotheek, voor te lezen?

„Ik vind voorlezen heel leuk. Het liefst vertel ik er verder niets omheen. Dat is een toneelerfenis. Ik hou van taal hardop. Ik hou van luisteren, je eigen verhaal maken.”

Sanneke van Hassel: Witte veder, De Bezige Bij, 144 blz. € 15,–