De oudste akker van Noordwest-Europa ligt in Flevoland

In ‘Swifterbant’, de befaamdste vroeg-prehistorische vindplaats van Nederland, leefden 6000 jaar geleden jagers die ook wat vee hielden. Nee dus, nu is er de eerste akker gevonden.

Archeologen van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) hebben vorige week bij Swifterbant in Oostelijk Flevoland het eerste echte bewijs gevonden van haklandbouw in Europa. De sporen van omgewoelde grond, naast een moderne akker met zilveruitjes, dateren van 4300-4000 voor Christus. Dat meldt Daan Raemaekers, hoogleraar pre- en protohistorie van Noordwest-Europa en leider van de opgravingen. „Op de lössgronden in Limburg deden ze al in 5300 voor Christus aan landbouw. Maar die kennis is gebaseerd op botanische vondsten. Dit is de eerste keer dat we echt een akker opgraven. Mogelijk markeert de vondst ook de overgang van hak naar ploeg in Europa, want de oudste Europese ploegsporen, in Denemarken, zijn van 4000 voor Christus.”

Swifterbant hoort tot de klassieke vindplaatsen van de Nederlandse en Europese archeologie. Zes meter onder NAP liggen de resten van een krekenlandschap waar zesduizend jaar geleden mensen verbleven die nu met Swifterbantcultuur worden aangeduid. Het gaat hier om de overgang van het mesolithicum naar het neolithicum, van jagen-verzamelen naar landbouw.

De vindplaats is in de jaren zestig van de vorige eeuw bij de aanleg van de IJsselmeerpolders ontdekt. De eigen archeologische dienst van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders stelde na enkele kleine opgravingen vast dat zich vanaf 4.600 vóór Christus mensen op een aantal rivierduinen en langs de oevers van de prehistorische voorloper van de IJssel hadden gevestigd. Tot de belangrijkste vondsten hoorde het skelet van een man, de ‘hoofdman van Swifterbant’, die met twee hangers en een snoer van barnstenen kralen was begraven.

„Bij de inrichting van het landschap hebben ze vervolgens met de vondsten rekening gehouden,” vertelt Raemaekers. „Een kronkelend bos verbeeldt de brede stroomgeul van de prehistorische IJssel en het gras aan weerszijden stelt de oeverwallen voor.”

Tussen 1972 en 1978 gingen archeologen van de RUG verder met opgraven. Waar de niet-academische Rijksdienst zich had beperkt tot vastlegging van vondsten, gingen de Groningers met specifieke onderzoeksvragen het veld in. Ze wilden onder meer een model opstellen voor het gebruik van het landschap.

De Groningers vonden genoeg dierenresten om te concluderen dat de mensen van de Swifterbantcultuur niet alleen gejaagd hadden, maar ook runderen, schapen en geiten hadden gehouden. De betrokken botanici durfden echter ondanks de vondst van verkoolde resten van emmertarwe en naakte gerst niet te zeggen dat ze ter plekke ook aan akkerbouw hadden gedaan. In hun ogen was er te weinig potentieel akkerland in de omgeving. Het leek hen aannemelijker dat de granen van elders waren aangevoerd.

Raemaekers (37) denkt dat de botanici dertig jaar geleden een te westers en modern beeld van akkerbouw hebben gehad. „Ze hebben teveel gedacht aan grote akkers vol wuivende aren.” Hij voelde de laatste jaren meer voor het model van zijn Leidse leermeester Louwe Kooijmans uit het begin van de jaren negentig. „De jager-verzamelaars uit het mesolithicum deden aan risicospreiding door zoveel mogelijk voedselbronnen naast elkaar te gebruiken. Het landschap bij Swifterbant vol kreken, geulen, draslanden en oeverwallen bood genoeg verschillende wilde dieren, vissen en vruchten om te jagen en te verzamelen. Op de lage draslanden kon vee geweid worden en de oeverwallen waren geschikt voor kleine akkers.”

Dit voorjaar kreeg Raemaekers, die drie jaar geleden weer bij Swifterbant is gaan graven, de eerste positieve aanwijzingen. „Microscopisch onderzoek van een vorig jaar genomen bodemmonster liet een regelmatig omgewoelde laag zien. Verder bleek dezelfde laag de resten te bevatten van een soort diatomee (eencellige alg) dat alleen op akkers voorkwam.”

Vorige week konden de Groningse archeologen, bijgestaan door amateurs en het Flevolandse Nieuwland Erfgoedcentrum, de sporen van akkerbouw ook in het veld bloot leggen. Raemaekers: „In het profiel zie je hoe de grond iedere twintig centimeter met een hak is omgewoeld. Gelukkig voor ons is er een kleurverschil tussen twee lagen grond, want als ze lichtgrijze klei met lichtgrijze klei hadden gemengd hadden we het niet kunnen zien.”

Raemeakers denkt dat een bewerkt gewei als hak heeft gediend. „Van anderen vindplaatsen kennen we geweitakken met slijtagesporen.” Hij schat dat de akker niet groter dan vijftig tot honderd vierkante meter is geweest. Maar er waren waarschijnlijk meerdere akkers, want onder de microscoop zijn ook in een ander grondmonster haksporen ontdekt.

Zaterdag 25 augustus is er open dag bij de opgraving (10.30-16 uur). Lokatie: Vuursteenweg 6, Swifterbant. Parkeren langs de weg.