En toch is hierzijn heerlijk

In de nieuwe vertaling van zijn ‘klaagzangen’ lijkt Rainer Maria Rilke opvallend modern. De lof van het aardse bestaan gaat hand in hand met het accepteren van pijn en verdriet.

‘Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de rijen/der engelen’ Rainer Maria Rilke Foto AFP Rainer Maria Rilke (1875-1926), écrivain autrichien. LM-13493
‘Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de rijen/der engelen’ Rainer Maria Rilke Foto AFP Rainer Maria Rilke (1875-1926), écrivain autrichien. LM-13493 ROGER-VIOLLET

Rainer Maria Rilke: De elegieën van Duino. Vertaald door Atze van Wieren. Uitgeverij IJzer, 109 blz. €17,50

Rainer Maria Rilke: Brieven over Cézanne. Vertaald door Philip van der Eijk. L.J. Veen, 111 blz. €15,–

Volgens Robert Musil was Rainer Maria Rilke de grootste dichter uit het Duitse taalgebied sinds de Middeleeuwen. Hij had het gedicht ‘voor het eerst perfect gemaakt’. Musil deed zijn vaak geciteerde uitspraken in een artikel uit 1926, kort na het overlijden van Rilke, en op het eerste gezicht lijkt zijn voorkeur nogal verrassend. Musil staat immers bekend als de grote essayistische romancier, Rilke juist als gevoelsmens en lyricus pur sang.

Maar bij nader inzien blijken de overeenkomsten bijna net zo groot als de verschillen. Beiden waren op hun gebied grote vernieuwers en propageerden het utopische denken. Allebei realiseerden ze zich dat ze in een overgangstijd leefden en dat er voor de moderne intellectueel steeds minder zekerheden bestonden. ‘Alles is aan een onzichtbaar maar nooit rustend veranderingsproces onderworpen’, luidt het in hoofdstuk 62 van Musils Der Mann ohne Eigenschaften. Maar deze kerngedachte van Musils roman staat ook centraal in Rilkes beroemde cyclus Duineser Elegien, waaraan hij in 1912 op kasteel Duino bij Triëst was begonnen en die hij pas in 1922 in het Zwitserse Muzot kon afsluiten.

Rilke beschouwde zijn onlangs in een nieuwe vertaling verschenen Duineser Elegien als zijn belangrijkste werk. Hij had zich voorgenomen om de problematiek van de moderne mens onder woorden te brengen, een zingeving van het bestaan te formuleren; en het is de combinatie van tamelijk hoogdravende filosofische ideeën en karakteristieke beeldspraak die dit werk zijn eigen charme en tevens moeilijkheidsgraad verleent.

Het late werk van de dichter is door zijn hermetische karakter altijd minder populair geweest dan de bundels Neue Gedichte (1908) of Buch der Bilder (1904). Daar staat tegenover dat de late lyriek altijd sterk tot de verbeelding heeft gesproken van filosofen en illustere denkers; tot Rilkes exegeten behoren Heidegger, Hans-Georg Gadamer, Romano Guardini en Erich Heller.

Voor de nieuwe vertaling onder de titel De elegieën van Duino tekent Atze van Wieren, en het is een alleszins geslaagd werkstuk geworden. Van Wierens vertaling is iets moderner en ‘gewoner’ dan de soms nogal plechtig-archaïserende versie uit 1978 van de jonggestorven Nijmeegse hoogleraar W. Bronzwaer, die nog woorden gebruikte als ‘neven’ en ‘gans’ of formuleringen als ‘prijs den engel’ en ‘des doms’. Van Wieren is kernachtiger en lijkt soms iets meer risico te nemen dan zijn voorganger. Aan welke vertaling men uiteindelijk de voorkeur geeft hangt natuurlijk van de smaak af. Bronzwaers plechtige stijl past nog steeds wonderwel bij een tijdloze dichter als Rilke, en in één opzicht blijft zijn editie zelfs onmisbaar: zijn commentaar is superieur.

Epigram-achtig

Opvallend is dat Rilke met het begrip ‘elegie’ (oorspronkelijk een gedicht in metrische distycha) bijna naar willekeur omgaat. Soms komt hij in de buurt van het moderne vrije vers. Net zo opmerkelijk is de sterk variërende lengte van de versregels. Haast eindeloos lijkende, uiterst pathetische gedachtenstromen worden onderbroken door korte epigram-achtige notities.

Rilke opent de eerste elegie met de beroemde uitroep ‘Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de rijen/ der engelen’, die veel weg heeft van een existentiële oerschreeuw. De dichter beklaagt de menselijke onzekerheid en constateert dat wij ‘niet zo thuis en vertrouwd zijn/ in onze verklaarde wereld’. In de eerste elegie komt ook de regelmatig terugkerende engel ter sprake, die bij Rilke geen bijbelse verschijning is maar een symboolfiguur die zowel in het leven als in de dood thuis is – de dichter maakte geen strikte scheiding tussen beide domeinen.

In de vierde elegie wordt het thema van het menselijke tekort uit de eerste elegie weer opgenomen. De mens is door zijn vermogen tot reflectie een gespleten wezen, ons bewustzijn staat ons niet toe het leven als ‘Dasein’ te beleven; dit onderscheidt ons van de dieren en ook van kinderen, die ‘vrij van dood’ zijn zoals het in de thematisch verwante achtste elegie luidt. Vermoedelijk is Rilke hier beïnvloed door Heinrich von Kleist die in zijn opstel ‘Über das Marionettentheater’ (1810) soortgelijke ideeën vertolkte. De invloed van de Duitse romantiek is toch al opvallend in deze elegieën, want ook Hölderlin (de pathetiek) of Novalis (de synthese van leven en dood) heeft Rilke gesouffleerd.

Na de klaagzangen uit de eerste helft volgt in de zevende elegie een omslag, beter nog een prijslied op het leven die culmineert in de zinsnede: ‘Hierzijn is heerlijk’. Het roemen van het aardse bestaan – liefde, seksualiteit, natuur, kunst en poëzie – is bij Rilke geen simpel optimisme, maar onlosmakelijk verbonden met het accepteren van pijn, verdriet en dood. In een beroemde toelichtende brief aan de Poolse vertaler Witold von Hulewicz schrijft Rilke: ‘In de Elegieën blijken aanvaarding van het leven en aanvaarding van de dood een en hetzelfde te zijn. […] er is noch een hier noch een daar, er is alleen de grote eenheid. […] De vergankelijkheid mondt overal uit in een diep zijn. En daarom moeten wij alle vormen van wat hier is niet alleen in hun tijdelijkheid gebruiken, maar, voor zover dat in ons vermogen ligt, hen plaatsen binnen die hogere betekenissen waaraan wij deelhebben. Maar niet in christelijke zin (waar ik steeds hartstochtelijker afstand van neem): het gaat erom, in een zuiver aards, diep-aards bewustzijn alles wat wij hier zien en aanraken in de wijdere, de allerwijdste context te plaatsen’.

Geslachtsdeel van het geld

In de laatste elegieën levert Rilke kritiek op de moderne tijd. Hij beklaagt het ‘teveel aan gedruis’ en ‘de onechte stilte’, of hij schildert – zoals in de tiende elegie – het ijdele vermaak der mensen, hun hang naar status, bezit en geld (ergens is sprake van ‘het geslachtsdeel van het geld’), wat de mensen vervreemdt van de essentiële levensdingen.

Rilke heeft zich overal in zijn werk graag en veelvuldig laten inspireren door de beeldende kunst. In zijn Parijse jaren werkte hij als privé-secretaris voor de beeldhouwer Auguste Rodin, die voor zijn artistieke ontwikkeling net zo belangrijk is geweest als de schilder Paul Cézanne. Van Cézanne en Rodin heeft Rilke de totale overgave aan het werk leren kennen (‘il faut travailler, rien que travailler’, had de beeldhouwer tegen hem gezegd), maar ook de nuchtere ambachtelijkheid, het onpartijdig kijken naar de meest alledaagse dingen. Bij de voorheen nog tamelijk neo-romantische Rilke heeft dit in het begin van de 20ste eeuw (in 1902 was hij naar Parijs verhuisd) tot een nieuwe kunstopvatting geleid, die culmineerde in de bundel Neue Gedichte en in de dagboekroman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge.

Over Cézanne en Rodin heeft Rilke twee schitterende, elkaar aanvullende monografieën gepubliceerd. De onlangs verschenen Brieven over Cézanne (een heruitgave van een bijna twintig jaar oude editie) bestaat uit epistels die de dichter in 1907 vanuit Parijs aan zijn in Duitsland achtergebleven vrouw heeft gestuurd. Rilke drukt in gloeiende bewoordingen zijn bewondering uit voor het werk van Cézanne, één jaar daarvoor gestorven, en interpreteert met veel gevoel voor details zijn stillevens en portretten. De confrontatie met de baanbrekende kunst in de Parijse Salon d’Automne veroorzaakt bij hem een schok der herkenning: ‘Het is de ommekeer in deze schilderkunst, die ik herkende omdat ik er zelf in mijn werk net aan toe was gekomen of er toch op de een of andere manier dicht toe was genaderd, sinds lang waarschijnlijk voorbereid op dit ene, waarvan zoveel afhangt’.

Rectificatie / Gerectificeerd

Door een fout op de redactie is in de bespreking van Rainer Maria Rilkes De elegieën van Duino (Boeken, 17.08.07) een dichtregel van Rilke verkeerd weergegeven. Het correcte citaat luidt: ‘Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de reien/ der engelen’.