IQ, afkomst en ijver even belangrijk voor succes

Het is nu bewezen: een scherp verstand, een goed sociaal milieu en gemotiveerd werken op school helpen een mens vooruit in het leven. Onderzoeker Strenze ziet er vooral steun in voor intelligentietesten.

Hoe succesvol iemand later wordt, hangt voor een groot deel af van zijn of haar intelligentie, maar evengoed van de schoolprestaties en de sociaal-economische positie van de ouders. Dat concludeert socioloog Tarmo Strenze uit een grote analyse waarin hij 85 relevante onderzoeken bijeenbracht. Strenze is verbonden aan de Universiteit van Tartu in Estland. Hij publiceert zijn resultaten in de septembereditie van het tijdschrift Intelligence.

Het onderzoek is een belangrijke bijdrage aan een langlopend debat over de invloed van intelligentie op maatschappelijk functioneren. De ene positie is dat bovenal hun (erfelijk bepaalde) denkvermogen bepaalt of mensen op een hoge positie in de maatschappij terecht komen en niet het milieu waarin iemand opgroeit. Dat was bijvoorbeeld de stelling van de Amerikaanse auteurs van de bestseller The Bell Curve die in 1994 uitkwam. Maar anderen zien het intelligentiequotiënt als een veel misbruikte statistische constructie. Voor de verdediging van die opvatting was Stephen Jay Goulds boek The Mismeasure of Man (1981/1996) het belangrijkste wapen.

De stand van zaken is nu dat als bewezen kan worden dat IQ éven belangrijk is als andere factoren dit als een succes voor de IQ-beweging wordt gezien. Strenze meent tenminste dat zijn onderzoek vooral de critici van IQ-testen de mond snoert. Want intelligentie voorspelt wel degelijk voor een belangrijk deel succes en het testen daarvan is dus zinvol. Aan de telefoon zegt hij: „Het verband tussen IQ en succes is geen willekeurig bijeffect van andere factoren.”

Niet iedereen volgt die redenering. Testpsycholoog Peter Tellegen van de Rijksuniversiteit Groningen is kritisch: „Het is een trend om alles te testen, want dat is goedkoop en zogenaamd objectief. Met IQ-tests moet je voorzichtig zijn.”

Strenze probeerde de knoop te ontwarren door de invloed van verschillende factoren los van elkaar te bepalen. Tot de factoren die succes voorspellen, rekende hij intelligentie, gemeten met IQ-tests, schoolprestaties en de sociaal-economische achtergrond van ouders. Dat laatste was een combinatie van beroep, inkomen en opleidingsniveau van vader en moeder. Strenze voegde de meetgegevens van 85 bestaande studies samen en analyseerde deze opnieuw.

Succes in het latere leven stelde hij net zo vast als de status van de ouders: aan de hand van salaris, aantal jaren studie en het niveau van het beroep.

En inderdaad, intelligentie blijkt een goede voorspeller van succes op latere leeftijd. Vooral opleidingsniveau en baan houden nauw verband met de uitslagen van IQ-tests. Maar intelligentie heeft niet beduidend meer invloed dan de maatschappelijke positie van ouders en schoolprestaties. Al deze factoren voorspellen de klim op de maatschappelijke ladder ongeveer even goed.

Hieruit concludeert Strenze dat er drie succesfactoren zijn: een goed stel hersens, een goed sociaal milieu en gemotiveerd werken op school.

In zijn analyse hield Strenze rekening met het jaar waarin intelligentie en sociaal-economisch succes was gemeten. Zo kon hij ontdekken of de maatschappij was veranderd in haar waardering van denkvermogen. Dat bleek niet uit de resultaten. Wel ontdekte hij dat wanneer IQ op latere leeftijd werd getest, ongeveer rond het twintigste jaar, het verband tussen intelligentie en succes het sterkst was.

Dat is niet verrassend, vindt Tellegen. „Er vinden allerlei veranderingen in de ontwikkeling van kinderen plaats. Wat op je vierde meetelt, hoeft tien jaar later geen effect meer te hebben. Je moet dan ook heel voorzichtig zijn met het toetsen van kleuters.”

Tellegen waarschuwt ook dat intelligentietests onderling erg kunnen verschillen. „De ene test legt veel meer nadruk op taal en parate kennis dan de ander. Wat zegt ‘IQ’ in zo’n onderzoek precies?” Strenze schrijft in zijn artikel dat hij enkel tests heeft gebruikt waarvoor geen specifieke kennis nodig was, maar over de invloed van taal schrijft hij niet.

In het artikel merkt Strenze op dat het grootste deel van de gegevens die hij gebruikt, uit de Verenigde Staten komt. Daar is het schoolsysteem minder gedifferentieerd dan in Nederland. Tellegen zegt daarover: „Het Nederlandse schoolsysteem is veel meer ingedeeld naar capaciteit van leerlingen dan Amerikaanse highschools. Dat kan hele andere resultaten opleveren. De relatie tussen intelligentie en type voortgezet onderwijs is hier extreem sterk. Veel intelligentietests zijn taalgevoelig. Allochtonen, die vaak een taalachterstand hebben, scoren daardoor systematisch lager en komen op de verkeerde scholen terecht.”