Van overvaller tot seriemoordenaar

Het Openbaar Ministerie denkt de Zuid-Limburgse seriemoordenaar te hebben gevonden. Justitie houdt niet van seriemoordzaken, zegt expert Van der Zee.

De 46-jarige Peter C. uit Heerlen werd drie jaar geleden aangehouden voor diverse overvallen. Toen bij hem DNA werd afgenomen, ‘matchte’ dat met DNA-sporen die waren aangetroffen op het lichaam van een prostituee die in 1992 in Valkenburg was verkracht en mishandeld. De rechtbank in Maastricht veroordeelde Peter C. in 2006 tot zeven jaar cel wegens poging tot moord.

Peter C. én het Openbaar Ministerie (OM) gingen in hoger beroep. Morgen doet het gerechtshof in Den Bosch uitspraak. Juist op de dag dat het hoger beroep diende, 2 augustus, maakte het OM bekend dat Peter C. officieel wordt aangemerkt als verdachte van de moord op vijf heroïnehoertjes tussen 1992 en 2003 in Zuid-Limburg. Eindelijk, justitie vond in Peter C. ‘de lang gezochte seriemoordenaar’.

Als hij wordt veroordeeld, is Peter C. een van de weinige bekende Nederlandse seriemoordenaars. De laatste was verpleegkundige Lucia de B., die in 2004 levenslang kreeg voor zeven moorden op ziekenhuispatiënten – ofschoon die veroordeling omstreden is. Eerdere seriemoordenaars waren, bijvoorbeeld, de Haagse portier Koos H. en Willem van E. Schrijver en journalist Sytze van der Zee schreef over beiden een boek met als titels Zuidwal (2003) en Anatomie van een seriemoordenaar (2006).

Van der Zee zegt vóór zijn publicaties „ongeveer alles” te hebben gelezen over het verschijnsel seriemoord. „Vooral Engelstalige lectuur, in Nederland is er niet veel.” Hij sprak uitgebreid met politie-experts en hij voerde voor diens levensverhaal dertig gesprekken met Willem van E., het ‘beest van Harkstede’ die in de jaren zeventig een 15-jarige liftster en een verpleegster doodde en na zijn vrijlating uit een tbs-kliniek (1990) nog drie prostituees vermoordde.

Van der Zee legt uit dat er twee soorten seriemoordenaars zijn: de ‘georganiseerde’ en de ‘niet georganiseerde’. De tweede variant, zegt hij, bestaat uit mannen met een „zware persoonlijkheidsstoornis” die onverwachts toeslaan, „bijvoorbeeld met een Blitzattack een slaapkamer binnendringen om het slachtoffer binnen de kortste keren om te brengen, waarna ze het verminkte lichaam op de plaats van het misdrijf achterlaten”. Georganiseerde seriemoordenaars zijn „psychopaten, meestal in de leeftijd tussen 20 en 35 jaar, die heel zorgvuldig hun moorden plannen”. „Ze folteren hun slachtoffer om het lichaam vervolgens goed te verbergen.”

Op heel jonge leeftijd doen ze „voorbereidende dingen” voor hun eerste moord, vertelt Van der Zee. „Ze pikken, liegen en bedriegen, en martelen dieren. Langzaam escaleert het, ze raken verslaafd aan porno en seksistische spelletjes. Ze krijgen een potentieel slachtoffer in het vizier, stellen zich doorgaans charmant tegen haar op, en slaan dan toe.”

Na de eerste moord beleven ze „een afkoelingsperiode”, vervolgt Van der Zee. „Ze genieten van de krantenverhalen, van het grote verdriet. Na zo’n twee, drie jaar zijn ze toe aan de volgende moord. Intussen voelen ze zich onverslaanbaar, onaantastbaar, superieur aan de politie. Ook verzamelen ze vaak trofeeën van hun slachtoffer, zoals slipjes en sieraden. Om hen te verhoren moet je speciale technieken toepassen, want normaal bekennen ze vrijwel nóóit.”

Justitie en politie hebben een hekel aan zaken rondom seriemoordenaars, vertelt Van der Zee. Hij wijst op de affaire rond Koos H., de hoofdpersoon in zijn boek Zuidwal. „Koos H. – hij zit nog vast – kreeg begin jaren tachtig levenslang voor drie moorden. Ik denk dat hij meer dan tien moorden heeft gepleegd, maar het Haagse Openbaar Ministerie wilde niet verder zoeken.”

Een rechercheur, aldus Van der Zee, „raakte zwaar overspannen en een commissaris pleegde mede onder invloed van deze zaak zelfmoord. Maar justitie redeneerde dat drie moorden uiteindelijk genoeg zijn voor levenslang. Een politieman zei tegen mij: ‘Zo’n onderzoek kost nu eenmaal heel veel geld, mankracht en energie. Hoe treurig het ook is voor de nabestaanden, het is beter drie zaken hard te hebben, want met tien zachte zaken ben je bij de rechter nog nergens’.”

Intussen stroopt het OM in Maastricht de mouwen op. In de de zaak rond Peter C. wil het „doorduwen”. Binnen honderd dagen moet de dagvaarding er zijn. De Heerlenaar is vele malen ondervraagd. Volgens zijn advocaat Arthur Vonken gebeurde dat „zo stevig en confronterend” dat de raadsman zich daarover heeft beklaagd.

Vonken zegt dat het bewijs „flinterdun” is. Er is geen DNA- bewijs, legt hij uit. „En er zijn geen getuigen ter plaatse gevonden. Ja, op een van de vermoorde vrouwen is een haar aangetroffen waarvan niet was uitgesloten dat die van mijn cliënt is. Verder heeft een meisje verklaard dat zij op een avond in 2003 bij een man in de auto is gestapt die haar vertelde dat hij eerder dat jaar betrokken was bij de moord op ten minste één en misschien meer vrouwen.”

Haar zijn twee foto’s getoond van Peter C., vervolgt Vonken. „De ene keer zei ze dat hij het niet was, de tweede keer dat hij het wél was. Ze had volop heroïne gebruikt. Mijn cliënt heeft een opvallend uiterlijk. Hij is heel groot en hij heeft links boven zijn linker oog een deuk in zijn hoofd.”

De verdachte, die drie van de vijf vermoorde – en soms zwaar verminkte – prostituees goed kende, ontkent elke betrokkenheid. Hij zegt ook niets te maken te hebben met de verjaarde moord op een meisje in Maarsbergen, 31 jaar geleden. Peter C. verbleef destijds op een internaat in de buurt van de vindplek. Vorig jaar werd het graf geopend op verzoek van het OM in Maastricht, dat volgens advocaat Vonken op zoek is naar „steunbewijs” voor de onopgeloste moorden. „Om de rechters te overtuigen.”