DE STRIJD OM DE STEIGERS

Loosdrecht is het paradijs op aarde: stille wateren, prachtige eilandjes, mooie vergezichten. Maar van die pracht is vanaf de wallekant nauwelijks nog iets te zien, want daar hebben rustzoekende landgenoten hun villaatjes gebouwd. Ook in de watersport is veel veranderd: zeilboten worden verdreven door de comfortabeler sloep. En dan is er nog het schandaal van het troebele water. Een dorp in de overgang.

Henri Schermij gaat graag naar zijn eigen eilandje. Hij stapt in zijn auto en na een kwartiertje is hij bij de jachthaven waar zijn motorboot ligt. Hij vaart een minuutje of tien langs weelderig begroeide oevers en legt aan bij zijn steiger. Hij opent de deur van het huisje dat op zijn eilandje staat, pakt een biertje uit de koelkast en even later zit hij buiten in de avondzon. Om hem heen water, bomen, en een diepe stilte.

We zijn midden in de Randstad, ergens tussen Utrecht, Hilversum en Amsterdam. ‘Het is toch niet te geloven?’ zegt Schermij, 42 jaar, werkzaam bij de ing en uitbater van een paar webshops.

‘Mijn opa werkte als arbeider bij de acf, een farmaceutische fabriek in Maarssen. De directeur had hier een paar eilanden, en die verhuurde hij aan zijn personeel. En in 1950 kon mijn opa een eilandje kopen, voor driehonderd gulden.’

Henri ging graag met zijn opa mee naar het eilandje, achterop de brommer, met de geruite helm van zijn oma. Hij viste er, hij ging er later wel eens met een meisje heen.

En toen zijn opa stierf, erfde hij het eilandje. Hij bivakkeert er vaak met zijn gezin, met vrienden, en hij zit er ook wel eens helemaal alleen. Zestig meter lang en zes meter breed. Een smalle strook land waar zo’n vijfhonderd jaar geleden het afgegraven veen te drogen werd gelegd – een ‘legakker’. Waar het veen werd weggehaald stroomde het water toe. En zo ontstonden de Loosdrechtse plassen.

Schermij sluit zijn huisje weer af, we stappen in zijn boot. Behoedzaam varen we tussen de legakkers door. Het lijkt hier wel de Amazone, zo dicht is de begroeiing. Op sommige eilandjes staan huizen. Hutjes, tuinhuisjes, maar ook kleine droomvillaatjes. Die mensen hebben geluk gehad, want nieuwe bebouwing op de eilandjes is niet meer toegestaan. Soms verwisselt een eilandje van eigenaar. Voor een bedrag van verscheidene tonnen.

We komen op het open water van de Vijfde Plas en Schermij draait het gas open. Een grote watervlakte ligt voor ons. Achter elkaar liggen daar de Vierde Plas, de Derde Plas, de Tweede en de Eerste. Hier en daar een wat groter eiland, met aanlegplaatsen. Het water is donkergrijs, en schittert in de lage zon. De bomen zijn uitbundig groen. De watertuin van Nederland heet het hier, en daar zit wel wat in.

Het is nu stil. Een enkel zeilbootje, een paar motorsloepen, een waterskiër.

Oever met steigers

Daar, aan het einde van de Eerste Plas, ligt Oud Loosdrecht. Een oever met steigers, masten, huizen en villa’s. We varen langs de torens waar de zeilwedstrijden worden gestart, langs de jachthavens, en de cafés en restaurants. We gaan met een snelle bocht terug, dan mindert de schipper gas en we varen weer tussen de stille legakkers.

De watertuin van Nederland biedt vanaf de wal een heel andere aanblik. De kern van de plassen is Oud Loosdrecht, een lintdorp op een dijk die een kilometer of drie het water in steekt. Maar dat je aan weerszijden water hebt, daarvan is op de dijk nauwelijks iets te zien. Wel staan er veel borden waar bootjes op getekend zijn en de namen van jachthavens: De Otter, Scherpel, De Uitkijk, Het Anker, Wetterwille, Bonnema. Daarachter steeds een oprijlaan met loodsen en schuren, en in de verte een paar masten. Er zijn een paar cafés en restaurants op de dijk, dure en gewone huizen, een paar showrooms met boten erin. Geen winkels, op een traiteur na, en een bakker, helemaal aan het begin van de dijk. Een paar slooppanden, een project met nooit afgebouwde appartementen waarin het onkruid vrij spel heeft. Even verderop een enorm stuk braakliggend terrein. Als je daar langs de geparkeerde auto’s loopt, kun je eindelijk de waterkant bereiken. Op het terrein staat een groot bord. ‘dorpscentrum oud loosdrecht’. Een tekening toont een haventje, met een pleintje, wandelende mensen en bebouwing. Een wandelpier steekt een meter of zeventig de plas in.

Maar dat is allemaal artist impression. Van bouwactiviteiten nog geen spoor.

De vvv-vestiging zit in een noodgebouwtje aan de overkant van de weg. Ansichtkaarten van Loosdrecht hebben ze er niet. ‘Die bestaan niet meer.’

‘Loosdrecht leeft niet meer’, zegt Ruud van der Wurf, ondernemer en Loosdrechter sinds 1975. Hij woont vlak bij de lege lap grond. ‘We hebben de slag gemist. Er komen een paar dagjesmensen in het weekend, en dat is het. Als je hier via de Vecht op de plassen beland, dan denk je: ik ga Loosdrecht even in. Maar er is hier niks!’

‘We hebben er alles aan gedaan om de toeristen weg te jagen’, zegt Patricia Scherpel, samen met haar man exploitant van jachtwerf Scherpel. ‘Er is hier geen winkel, er zijn geen leuke evenementen.’

‘Ze vragen wel eens: waar kan ik hier vissen?’, zegt Ben Lamme, eigenaar van een water- en hengelsportwinkel. ‘Ik zou het niet weten.’

‘En als dat plan met die zandzuigers doorgaat’, zegt Jan Siemons, waarnemend voorzitter van Watersportvereniging ‘De Vrijbuiter’, dan krijgt de recreatie een enorme klap.’

Alles wat er in de wereld verandert, zie je in Loosdrecht terug. Dat is het lot van elke gemeente, maar in Loosdrecht is het dramatischer. Dat komt doordat de watersportplaats zo afhankelijk is van de buitenwereld, doordat de conjunctuur Loosdrecht altijd stevig in zijn greep heeft.

Het begon al vroeg. De plassen zijn ontstaan toen de bewoners van het snel groeiende Amsterdam in de zestiende en zeventiende eeuw hun huizen met turf gingen verwarmen. Tegen het einde van de achttiende eeuw raakte de turf op. De plassen die na de veenwinning overbleven werden het domein van jagers, vissers en rietsnijders. In het begin van de twintigste eeuw kwam de watersport op, en in de jaren zestig en zeventig groeide die stormachtig. Loosdrecht bloeide, Loosdrecht swingde. Loosdrecht werd een gewilde woonplaats. Nieuwe rijken kochten een villa met aanlegsteiger aan de waterkant. Daarom is het nu zo moeilijk geworden een glimp van de plassen op te vangen en is de grond rond de plassen peperduur geworden. De privatisering van de waterkant is hier in een vergevorderd stadium.

Er veranderde nog iets. De watersport zelf. Van een roeping werd het een recreatievorm, een van de mogelijkheden om je vrije tijd te besteden. De meeste mensen die een boot op Loosdrecht hebben liggen, wonen ergens anders. Als ze op Loosdrecht komen, is het voor een dagje. De koelbox met eten en drinken gaat mee. Gevolg: de Dijk wordt stiller, de winkels kwijnen weg. Wie een grote boot heeft, verkast naar de Randmeren. Duitse watersporters, vroeger gewaardeerde gasten, zie je niet meer.

Dan de derde confrontatie van Loosdrecht met de tijdgeest. Volgens de nieuwe milieunormen van de Europese Kaderrichtlijn Water is het water in Loosdrecht vuil – terwijl het schoner is dan ooit, zeggen de Loosdrechters. Maar het is te niet transparant genoeg, en daarom gaan enorme zandzuigers diepe gaten in de plassen zuigen. Het is een spookbeeld voor veel Loosdrechters: tien jaar lang dag en nacht het gedreun van de zandzuigers op de plassen.

‘We zijn in een neerwaartse spiraal beland’, zegt Jaap van Waveren, fractieleider van Dorpsbelangen in de gemeenteraad. ‘Er is eigenlijk niks meer van Loosdrecht over.’

De burgemeester

Aanleiding genoeg om zwaarmoedig langs de rietkragen te turen en vast te stellen dat er zwaar weer op komst is. Maar wie zo denkt, heeft buiten de burgemeester gerekend. ‘Aan die negatieve stemming zou ik nou graag een eind maken’, zegt Don Bijl, een lange man met achterovergekamd haar. In 2002 ging Loosdrecht samen met Ankeveen, Breukeleveen, ’s-Graveland, Kortenhoef en nog een paar dorpen deel uitmaken van de gemeente Wijdemeren, en Bijl werd burgemeester. Maar het is waar, zegt hij. ‘De afgelopen decennia is het niet de goede kant opgegaan met Loosdrecht.’ Het dorp is voor de toeristen niet meer aantrekkelijk en de mooie plekjes aan het water zijn steeds moeilijker te bereiken. Wat Loosdrecht uniek maakt, is in Loosdrecht zelf niet meer te zien. ‘Toch heb ik het gevoel dat er iets aan het veranderen is.’ Wat de burgemeester bedoelt kan hij het beste duidelijk maken aan de hand van het braakliggende terrein, midden in Oud Loosdrecht, en het nieuwe dorpscentrum dat daar moet verrijzen. ‘Kijk’, zegt hij. Hij wijst op het bord, naar het haventje dat erop staat. Het is een passantenhaventje, bedoeld voor de toerist die een paar uur wil aanleggen.

‘We brengen het water weer naar de weg.’

Het is al het derde plan voor een dorpscentrum. Twee eerdere plannen, opgesteld door projectontwikkelaars, strandden in lange procedures en geharnaste bezwaarschriften van omwonenden die hun uitzicht kwijtraakten en jachthavens die hun doorvaart zagen belemmerd. Er ontstond een negatieve sfeer in Loosdrecht. Er was ruzie, niks lukte, en iedereen dacht dat dat zo zou blijven.

Maar deze keer gaat het anders, zegt de burgemeester. ‘Toen ik aantrad heb ik het › vorige plan nog net schipbreuk zien lijden.

Ik heb toen tegen de Raad gezegd: volgens mij moeten we het anders gaan doen. We moeten de mensen die er belang bij hebben, dus de bewoners, de bedrijven, de watersport en de horeca, bij elkaar zetten. En die moeten zelf, samen een plan maken. De stakeholders moeten aan tafel zitten.’

Bijl had met de stakeholders-benadering kennis gemaakt tijdens een bijscholingsbijeenkomst voor burgemeesters, en hij trok de man aan die daarvan in Nederland een pionier was: procesbegeleider Ad de Regt. ‘Als ik er bij wordt geroepen is de sfeer meestal al behoorlijk onder nul’, zegt De Regt. ‘Het eerste dat ik ontdekte was dat iedereen zijn eigen huisadvocaat had, en meestal van het betere soort. We laten de advocaten nu thuis, heb ik gezegd, we gaan het nu zelf doen.’

En zie, een zevental ondernemers en bewoners ging een paar dagen op de hei zitten, een architect vertaalde hun wensen en ideeën in schetsen en eind 2005 lag er een plan voor een nieuw centrum waar heel Loosdrecht zich in kon vinden. Een plein, een haventje met uitzicht op de plas, winkeltjes, appartementen en een paar villa’s. En een lang gekoesterde wens gaat in vervulling: er komt een tweede Heul. De Heul is de lange doorvaart tussen de Eerste Plas en de Vuntusplas.

Hij loopt onder de Dijk door en hij is smal: 2 meter 65. In de zomer is de Heul een bron van ergernis, want er kan maar één boot tegelijk door. En dat levert complicaties op als je een tegenligger ziet opdoemen. Wie vaart er terug? Dat leidt vaak tot interessante discussies. Nu komt er nóg een Heul, en er komt eenrichtingsverkeer.

Reserves

Als de laatste belemmeringen uit de weg zijn geruimd, als de provincie akkoord is met de wijziging van het streekplan, dan kan het beginnen. Dan gaat volgend jaar de eerste spade de grond in, en om te beginnen wordt er hier en daar al een huis gesloopt.

Wie je in het dorp ook spreekt, ze zijn het er allemaal over eens dat het dorpscentrum er moet komen. Maar ook geeft iedereen er meteen zijn reserves bij: eerst zien en dan geloven. Zouden de winkels die er komen het wel redden, terwijl de vorige supermarkt moest sluiten? Is dat plein niet wat klein? Is het niet vooral een woningproject? Waarom duurt het allemaal zo lang?

En wordt het laatste puntje ook opgelost? Het laatste puntje is een wat onoverzichtelijk geschil waarin de gemeente verwikkeld is met Ruud van der Wurf. Van der Wurf heeft een mooi huis, een jachthaven en een woonark op een heel centrale plek: tussen twee terreinen die eigendom zijn van de gemeente. Als belanghebbende zat hij ook in de stakeholders-groep, want in het plan wordt zijn huis gesloopt. Hij krijgt er een mooie bouwkavel aan de waterkant voor terug. Maar ergens in het proces is er iets misgegaan.

Van der Wurf werd uit de groep verwijderd, en toen was er een impasse. ‘Het komt wel goed’, zegt burgemeester Bijl. ‘Dat dorpscentrum moet er komen’, zegt van der Wurf. ‘Liever vandaag dan morgen. Maar er moeten nog een paar dingetjes worden uitgewerkt.’

Op het gemeentehuis schudt men het hoofd. ‘We hebben al eens bekeken of we niet om zijn huis kunnen heen bouwen’, zegt een projectleider.

Blue Boss

Het is donderdagavond. Clous van Mechelen pakt zijn saxofoon uit de koffer, drummer Menno van Veenendaal zet zijn drumstel in elkaar. Nick van den Bos gaat achter de piano zitten en Paul Berner zet zijn bas rechtop. Het wordt een gezellige avond in café de Otter. Van Mechelen blaast opgewekt zijn standards de zaal in. St. Thomas, Blue Boss, Kansas City. Tegen elven staat het publiek vrolijk mee te swingen.

Hij heeft vroeger vaak in Loosdrecht gespeeld, vertelt Van Mechelen tussen twee nummers. ‘Ik ben twee keer tweede geworden op het Loosdrecht Jazzconcours. De eerste keer achter Louis van Dijk, de tweede keer achter Ekseption.’ Dat was in de jaren zestig, in de botenloods van Van Dijk. Er kwamen toen wel meer mensen. ‘Uit heel Nederland. En het werd uitgezonden op de radio. En het publiek was ook jonger.’

‘We zijn hier een jaar of vijf geleden met jazz begonnen, vertelt Erwin Marschall van het café. Elke donderdagavond, behalve in de zomermaanden, is er jazz, en uit de hele omgeving komen de liefhebbers erop af. In de zomer wordt het te warm, want de deuren moeten dicht blijven om geluidsoverlast te voorkomen. ‘We zitten hier vlakbij De Kreek, dat is de duurste straat van Loosdrecht. We hadden eerst ook jazz op zondagmiddag, maar daar zijn we mee opgehouden.’ Omdat de buren klaagden? ‘Dat was een van de redenen.’

Wonen aan een Kreek, dat wil iedereen wel. Stilte, een mooi uitzicht op de plas en een eigen aanlegsteiger. Als je over de Nieuw Loosdrechtsedijk rijdt zie je waartoe dat verlangen uiteindelijk leidt. Net als in Oud Loosdrecht is het hier een streep land die de plas in steekt. Maar terwijl je in Oud Loosdrecht nog af en toe een stukje water kunt zien, domineren hier hoge hekken met rietgedekte villa’s en blaffende honden erachter. De privatisering van de waterkant is in Nieuw Loosdrecht vrijwel voltooid.

Ook in Oud Loosdrecht zijn er jachthavens veranderd in villaatjes met een paar ligplaatsen – voor de bewoners. Burgemeester Bijl: ‘Er zijn hier nogal wat projectontwikkelaars geweest die de kansen aangrepen om hier te bouwen, want woningbouw is lucratiever dan watersport. Je zag dat de oude ondernemers vertrokken, dat de panden werden verkocht en dat er appartementen werden neergezet. Gevolg: minder zicht op het water. In het nieuwe dorpscentrum gaan we dat omkeren.’ Maar enkele tientallen meters voorbij de plek waar dat centrum moet komen, grijpen de projectontwikkelaars weer hun kans.

We zijn op de bekendste plek van Loosdrecht: het Ottenhome-complex. Je kunt er wat drinken op het enorme terras met uitzicht op de plas, je kunt wandelen over de klepperende planken en de bootjes bekijken. Aan de steigers sloepen, kajuitjachten en een hele vloot polyester zestien kwadraats voor de verhuur. Hier zijn al heel wat Nederlanders voor een dagje zeilen de plas opgegaan. Annemiek van de Water, de eigenaresse van Ottenhome, is trots op wat in een recent boek over de zeilsport staat: dat Ottenhome belangrijk is geweest voor de democratisering van de watersport. ‘We zijn het tegendeel van elitair’, zegt ze. ‘Water verbroedert. We krijgen hier vaak bedrijven die een dagje gaan varen. Als het pak uit is en iedereen heeft een trui aan is de sfeer meteen ontspannen.’ Ze is 47 en ze praat met een licht Brabantse tongval. In 1981 kwam ze bij Ottenhome, ze werkte in hotels en had helemaal geen watersportervaring. ‘Maar ik zei dat ik 400 hotelbedden kon verhuren, en dat het met boten toch niet veel anders kon zijn.’ De toenmalige eigenaar herkende haar zakentalent en ze 1kon meteen beginnen. Ze boorde nieuwe markten aan, lokte bedrijven met vergaderruimten en zeilarrangementen. En nu staat er elke dag wel een bord op het parkeerterrein waarin Veenman, Oracle, ing-bank of een ander bedrijf welkom wordt geheten.

Op het terrras zitten dagjesmensen, zeilers en sloepenvaarders broederlijk bijeen.

De bediening loopt af en aan met bier en stokbrood met tapenade. De projectleiders van het automatiseringsbedrijf hebben de flap-overs opgeborgen en maken zich op voor een tocht per motorsloep over de plas. De havenmeester geeft een korte uitleg over stootwillen, keerkoppeling en stuurwiel, en daar gaan ze. ‘Ik heb twee havenmeesters in dienst’, zegt Van de Water. ‘Die doen van alles. Als iemand zijn tas met al zijn spullen op een eiland heeft laten staan, dan varen zij erheen. Als iemand zijn mobieltje in het water heeft laten vallen, dan vissen zij het eruit.’

Op Ottenhome werken ongeveer 75 mensen, de meesten parttime. Daar kan Van de Water wel eens van wakker liggen, want de toekomst van haar bedrijf is onzeker. De naam, de goodwill en de huurboten zijn sinds 2003 van haar. Maar de stenen en de grond zijn al vanaf 2001 van de vastgoedafdeling van de Fortis-bank. En die heeft hele andere plannen.

Waar nu de steigers en de terrassen zijn, daar moet een landtong komen met zo’n veertig villaatjes. Er komt een café-restaurant, een klein jachthaventje, met ligplaatsen voor de bewoners en voor mensen die in de buurt wonen. En de huurboten? Annemiek van de Water spreidt haar armen. ‘Weet jij het?’

Elk jaar, op 15 juli, heeft ze een gesprek met Fortis. Dan hoort ze of ze nog een jaar mag doorgaan, of dat ze per 1 oktober de tent moet sluiten. Als Fortis de vergunningen rond heeft en als de provincie akkoord is met de wijziging van het streekplan die voor de nieuwbouw nodig is, dan gaat het Ottenhomecomplex tegen de vlakte. Dan moet ze het grootste deel van haar personeel ontslaan en haar stallinghouders vertellen dat ze een andere ligplaats moeten zoeken. Misschien is er voor haar nog een rol weggelegd in een nieuw Ottenhome, maar dat zal dan wel een heel ander Ottenhome zijn. Dit jaar bracht opnieuw uitstel van executie: Ottenhome mag van Fortis weer een jaar verder. Van de Water kan weer even ademhalen en haar personeel hoeft niet naar een andere betrekking om te zien. Maar de toekomst blijft onzeker.

‘Het is wel triest voor Annemiek’, zegt Mieke Kosters, de eigenares van jachthaven Wetterwille, tweehonderd meter verderop. ‘Ze doet het heel goed. De sfeer is daar prettig en toegankelijk. En straks? Dan verdwijnen de zeilboten en er komen sloepen voor in de plaats – van de mensen die daar wonen. Die gaan daar wonen voor hun rust en hun privacy, dus die gaan meteen klagen als er op het terras van het café te hard wordt gepraat.’

Uitzicht op de plas

Ook de burgemeester zit met de dreigende teloorgang van Ottenhome in zijn maag. Maar, zegt hij, we kunnen er heel weinig aan doen. ‘Op een gegeven moment heeft de toenmalige eigenaar van Ottenhome zijn grond en de gebouwen verkocht aan Fortis. Dat mag in dit land.’ Maar waarom werkt de gemeente eigenlijk mee aan de wijziging van het streekplan die voor het Fortis-project nodig is? Dat had ze toch ook niet kunnen doen? ‘Dan hadden we geen enkele invloed op het project kunnen uitoefenen. Dan was er geen uitzicht op de plas meer geweest. We zijn met Fortis in gesprek om het project zo openbaar mogelijk te houden. Zodat je toch nog een toegang tot het water houdt. En we hebben bedongen dat Ottenhome zo lang mogelijk openblijft, en dat er in het plan ook weer een horeca-gelegenheid komt.’

Bijl trekt een moeilijk gezicht. ‘We zaten met een bestemmingsplan uit de jaren negentig waarin projectontwikkelaars heel veel mogelijkheden werden gegund. Toen dacht men dat je voor creativiteit bij de markt moest zijn en dat de overheid alleen maar beperkend werkte. De realiteit gebiedt te zeggen dat dat lang niet altijd het geval is. De drijfveer is vaak winstmaximalisatie en niet de wens om mooie dingen tot stand te brengen.’

Dus u zou zo’n bestemmingsplan niet maken? ‘Nee, nooit’, zucht de burgemeester, zelf van vvd-huize.

In het college van b&w zijn alle grote partijen vertegenwoordigd, dus de tegenstem van Jaap van Waveren van Dorpsbelangen zal Ottenhome niet helpen. ‘Ik ben tegen dat Fortisplan. Het is de doodsteek voor Loosdrecht. Het is in- en in-triest wat er met Ottenhome gaat gebeuren.’

Grote geld

Met wonen aan het water is geld te verdienen. Dat blijkt uit het Fortisplan, dat blijkt ook uit het plan voor het dorpscentrum: het hele plan kan betaald worden met het geld dat de woningen gaan opleveren. Nu al wordt de burgemeester voortdurend aangeklampt door mensen die willen weten wanneer de verkoop begint.

Het grote geld van investeerders en projectontwikkelaars is altijd op zoek naar mooie plekjes aan de waterkant, ook in Loosdrecht. Sommige eigenaren bezwijken voor de verleiding en verkopen hun grond, › anderen niet. Maar intussen wordt de grond steeds duurder, en zo wordt er langzaam geknaagd aan de rentabiliteit van de kern van de Loosdrechtse economie: de jachthavens.

Bij standvastige types als Willem Blom, de vroegere eigenaar van jachthaven Het Anker hadden de projectontwikkelaars geen succes. ‘Nee hoor’, zegt Blom. ‘We verkopen niet. Het is een familiebedrijf. Mijn vader is hier als botenbouwer begonnen. Dat geven we niet op.’ Ook bij Mieke Kosters, eigenares van jachthaven Wetterwille kwamen de opkopers aan een gesloten deur. ‘Fortis heeft me een flink bedrag geboden. Maar het is een familiebedrijf, en ik zet het voort.’

Daarmee is de economische grondslag van de jachthavens wel zo ongeveer geschetst. ‘Eigenlijk’, zegt Patricia Scherpel, ‘kan dit alleen maar omdat we de grond van onze ouders hebben geërfd. De grond is veel te duur. Als je nu zou willen beginnen, zou het je niet meer lukken.’ Dat zeggen haar collega’s haar na. ‘Inkopen is onmogelijk’, zegt Jasper Blom, de zoon van Willem Blom en de huidige eigenaar van jachthaven Het Anker. ‘Je zou er geen gezond bedrijf meer van kunnen maken.’ Dus dat betekent dat de liggelden te laag zijn? ‘Eigenlijk wel’, zegt hij. ‘Voor een bootje van zes meter betaal je ongeveer 500 euro per seizoen. We maken geen prijsafspraken, maar die bedragen liggen hier overal ongeveer op dezelfde hoogte. Daar is geen kostprijsberekening voor gemaakt, die prijzen zijn zoals ze zijn. En wij kunnen ervan leven omdat onze grond gratis is.’

‘In 1963 heeft de Nederlandse Vereniging van Watersportbedrijven en Jachthavens eens uitgerekend hoe hoog de liggelden zouden moeten zijn’, zegt Jacob van der Meulen, eigenaar van jachthaven De Uitkijk. ‘En aan die prijzen zijn we nu nog steeds niet toe.’

Geert Dijks, hoofd Branchebelangen van de hiswa, beaamt dat. ‘In het algemeen zijn de prijzen in de recreatie- en kampeersector gestegen, maar de jachthavens lopen daarbij achter. Eigenlijk zijn de prijzen zo’n 30 procent te laag. Een boot is helemaal niet duur, een weekje in een bungalow kost meer dan een jaar liggeld.’

Maar waarom verhogen de jachthavens hun tarieven dan niet? Omdat ik me dan uit de markt prijs, zegt Jasper Blom. ‘Als ik de liggelden flink verhoog, bestaat het risico dat ze toch naar een andere haven gaan, of naar de Vinkeveense plassen, of naar het IJsselmeer. En daar komt bij dat je tegenwoordig voor een paar honderd euro naar Griekenland of Turkije kunt, daar moeten we ook rekening mee houden.’

De meeste jachthaveneigenaren hebben nóg een reden om de prijzen niet te veel te laten stijgen: ze willen een gemêleerd publiek. ‘Ik streef naar vijftig procent zeilers en vijftig procent motorboten’, zegt Mieke Kosters van Wetterwille. ‘Dan houd je het leuk.’ Jasper Blom: ‘Ik wil niet alleen dure boten.

Ik houd van die sfeer, van mensen die op het terrein bezig zijn, die aan hun boot werken. Ik kom zelf uit de watersport. Ik wil niet alleen mensen hebben die hier een sloep hebben liggen en nooit komen.’

Loosdrechtse watersporteconomie: de liggelden worden laag gehouden door de onderlinge concurrentie, door de concurrentie met Turkse vakantiebungalows en de wens om het gezellig te houden. Maar dit model staat onder druk. Niet alleen wegens de stijgende grondprijzen. Er is nog iets: de watersport zelf verandert en vergrijst.

Mini Holland weekend

Een winderige zaterdag, met hier en daar een bui. In het water bij de starttoren van watersportvereniging De Vrijbuiter krioelt het van de Optimisten, notendopjes met een zeiltje. In elk notendopje zit een kind van een jaar of 11. Met een hand houden ze de zeilschoot vast, met de andere het roer. Hun ouders staan op de kant en roepen aanwijzingen. Vanuit de starttoren wordt omgeroepen dat de Optimisten A over één minuut gaan starten. Er klinkt een claxon, en opeens maken zich uit de warrige kluwen tien bootjes los die allemaal dezelfde kant opgaan, recht op de eerste boei af. De Optimisten A zijn gestart.

Het is de hoop van de zeilsport, dit jonge goedje. Als ze de Optimist ontgroeid zijn gaan ze misschien wel in een Splash zeilen, of in een Laser. Maar er is ook een aardige kans dat ze iets heel anders gaan doen, voetballen, hockeyen, of achter de computer hangen.

Geert Dijks van de hiswa: ‘Met de watersport gaat het nog steeds goed, zeker de komende 10 à 15 jaar. Je ziet bijvoorbeeld dat steeds meer steden met een haven de watersport ontdekken. Maastricht, Tilburg, Rotterdam, Bergen op Zoom. De oude stadshavens worden opgeknapt en trekken watersporters.

‘Maar er is een groot risico van vergrijzing. De aangroei van onderen, van de jeugd, baart zorgen. Elk jaar worden er nog zo’n twintig tot vijfentwintigduizend zeildiploma’s uitgereikt. Dat is een redelijk stabiel getal, al moeten we heel wat moeite doen om dat te handhaven. Maar daarna? Wat doen ze als ze zestien, zeventien zijn? De jeugd vertoont zapgedrag, ze willen allerlei dingen uitproberen. Voor hen is varen een trage manier om nergens te komen. Ze gaan liever naar Salou.’

‘Tegenwoordig geven die ouders hun kinderen een rubberboot met een buitenboordmotor en 100 euro voor de friettent. Als ze maar geen last van ze hebben’, zegt Jaap van Waveren van Dorpsbelangen.

En zo wordt in menig watersportgezin de historische band met fokkeschoot en helmstok wreed doorgeknipt.

‘Vroeger kreeg je de watersport van huis uit mee’, zegt Jasper Blom van jachthaven Het Anker. Hij is 32, en heeft net de zaak van zijn vader overgenomen. ‘Als het gestormd had, kwamen ze kijken of het dekzeil op hun › boot nog goed lag. Maar nu bellen ze op: of je even wilt kijken of alles oké is. Hij ligt toch bij jullie, zeggen ze dan. En ja, daar zijn we ook voor.’

‘Watersport is iets geworden wat ze erbij doen’, zegt zijn collega Jacob van der Meulen van De Uitkijk. ‘35 jaar geleden was het bijna een godsdienst, je had een bm en al je vrije tijd én je budget gingen daarin zitten.’

‘Ik zie hier nu boten liggen die er nog net zo bijliggen als toen ze uit de winterstalling kwamen’, zegt Jaap van Waveren.

Bootbouwerij Vrijheid

Schuin tegenover Ottenhome ligt de werf van ‘Bootbouwerij Vrijheid’. Geert Lamme, een vijftiger met een kort baardje, is de eigenaar. Hij is de broer van Ben, die op hetzelfde terrein zijn winkel in scheepsartikelen runt. Samen met een viertal timmerlieden bouwt en restaureert hij houten boten. Hij praat met de rust die een jarenlange omgang met hout verraadt. In 1945 is zijn vader met de werf begonnen, vandaar de naam Vrijheid.

We lopen door de werkplaats. Een Valk met schade is onzichtbaar gerepareerd, een oude bm staat weer glanzend in de lak.

Het mooiste werk is natuurlijk een boot bouwen, zegt hij. ‘Ik heb alles gebouwd, bm’s, Valken, Optimist, tot aan Regenboog toe. Vijfhonderd boten bij elkaar, schat ik.’ Tegenwoordig bouwt Lamme vooral de Pampus, een klassieke open zeilboot van bijna zeven meter lang, waar nog steeds veel wedstrijden mee gezeild worden. Het ontwerp is van G. de Vries Lentsch en dateert van 1934. Lamme bouwt ze met lange mahonie ‘gangen’, planken die aan het eind en het begin smaller worden en zo de karakteristieke ronde rompvorm laten ontstaan. ‘Eigenlijk is er in al die jaren niet veel veranderd’, zegt Lamme. ‘Het gaat nog net zo ambachtelijk.’ Wat kost zo’n boot? ‘Reken maar op zestigduizend euro’, zegt Lamme. Op Bootbouwerij Vrijheid worden per jaar twee Pampussen gebouwd.

Aan de overkant van de Oud Loosdrechtsedijk, niet ver van Ottenhome, staat de gloednieuwe showroom van Interboat. Interboat verkoopt 260 sloepen per jaar. Open boten met een motor. Een Nederlands product, geheel in Zwartsluis gemaakt. Van polyester, maar met de ribbels van een overnaadse houten sloep. Het is een type boot dat sinds een jaar of tien heel populair is. Ze zijn ruim, ze zijn gemakkelijk, en je kunt er met je vrienden een gezellig tochtje mee maken. Wie koopt zo’n boot? ‘Advocaten, ondernemers. Mensen die keihard werken. Die hebben ook afleiding nodig. En op het water raak je je stress kwijt.’ Gerard Schuiten is de stichter van Interboat. ‘We zijn in de jaren 60 en 70 begonnen met Amerikaanse speedboaten, van die benzineslurpers. Maar daar ben je gauw klaar mee in Loosdrecht. Als je gas geeft zit je al aan de andere kant van de plas. In 1992 zijn we op sloepen overgegaan.’ De kleinste Interboat-sloep kost bijna dertigduizend euro, de grootste is acht meter lang en kost 65.000 euro. Maar met wat extra’s en een wat zwaardere motor zit je zo aan de 80.000. Even verderop zit nog een sloepenshowroom: Jan van Gent. Daar is de grootste sloep ruim tien meter lang en je hebt er al zo een voor 113.000 euro. Een stuk of zestig sloepen verkopen ze per jaar, schat Lex Sluyter, een van de eigenaren.

Er is nog een derde sloepenbedrijf: Breedendam. Daar worden houten sloepen verkocht. Het houten casco wordt in Turkije gemaakt, de boten worden in Nederland afgetimmerd.

Vereeniging

Van de zeilboot naar de sloep – het is een onmiskenbare trend in de watersport. De zeilboot staat voor de watersport zoals die er al honderd jaar was. Een tijdverdrijf dat in het begin was voorbehouden aan de hoogste kringen. De Koninklijke Watersport-Vereeniging ‘Loosdrecht’ bestaat al sinds 1912, en hoewel het nieuwe verenigingsgebouw aan de Oud Loosdrechtsedijk er nog maar een paar jaar staat, is aan het stijlvolle interieur de voorname afkomst van de zeilsport goed af te lezen. Lid van deze besloten Vereeniging word je alleen na introductie en ballotage. Maar zeilen is al lang geen elitesport meer, vooral sinds de Bergumse kapper Hendrik Bulthuis (1892-1948) een zeilboot had ontworpen die goedkoop te fabriceren was en ook door handige knutselaars te bouwen was: de BM en later de zestienkwadraat. Vervolgens leidde de toepassing van het watervaste hechthout van de Bruynzeelfabrieken tot open bootjes die goedkoop te bouwen waren, zoals de Schakel, de Spanker en de Valk. Op de Friese meren, op Loosdrecht en op Vinkeveen kwam de watersport tot grote bloei, en wie zelf geen zeilboot had, huurde er een. ’s Nachts hing je het dekzeil over de giek en dan was de kuip opeens een ruime slaapkamer.

Maar naast dat primitieve toerisme ontwikkelde zich ook steeds meer de watersport die door een motor werd aangedreven, en sinds een jaar of tien is dat vooral in de gedaante van de sloep. Een boot waarvoor je geen cursus hoeft te volgen, die niet schuingaat, en die het ook bij windstilte doet. Zo’n boot met een dik touw om de rand, en steevast de Nederlandse driekleur op de achtersteven.

‘Er zijn maar een paar handelingen voor nodig, dan kun je wegvaren’, zegt hoboïst van het Schönberg Ensemble Evert Weidner. ’t Is een soort uitzoomen’, zegt zijn vrouw Maaike Hakkenbroek, die een makelaarskantoor in Loosdrecht drijft. ‘Als je de hele dag met je hoofd in je laptop zit, dan is het heerlijk, die wijde blik op het water.’ Ze hebben sinds een paar jaar een Jan van Gentsloep. Een paar keer per jaar varen ze naar de hoofdstad. Een prachtige tocht van een paar uur. Vlak voor de dependance van hun bedrijf aan de Leliegracht kunnen ze aanleggen.

Heel comfortabel, maar wie het nog comfortabeler wil kan bijvoorbeeld Alexander Kroon bellen, of een van zijn vrienden. Hij is 19 jaar oud, student marketing en communicatie en in het bezit van vaarbewijs 1 en 2. Hij neemt je al het gedoe uit handen. Hij haalt het dekzeil van je sloep, hij legt de kussens op de banken en hij kijkt of er genoeg brandstof in de tank zit. Je hoeft alleen de sleutel nog maar om te draaien. Of hij vaart voor je, dat kan ook. ‘Sommigen willen helemaal niet varen’, zegt Alexander. ‘Die vinden het gezelliger om met hun gasten te praten. Dan vaar ik ze door Amsterdam, of langs de Vecht,’ Hij verdient er aardig mee, en het is goed voor zijn netwerk. ‘Ik geef ze mijn kaartje. Of ik › vraag of ze een stageplaats voor me hebben.’

Watersport is steeds meer waterrecreatie. Van een roeping wordt het tijdverdrijf. Vroeger was de plas vol zeilen, en liep er aan het einde van de middag een stoet jonge mensen over de Dijk. Er waren nog vijf bakkers, een slager, een supermarkt. ’s Avonds gingen de watersporters dansen in een dancing, of naar jazz luisteren in botenloods Van Dijk. ’s Nachts sliepen ze in hun boot, in de kajuit of onder het dekzeil van de gehuurde bm. Nu rijden er zwarte Landrovers en bmw’s over de Dijk. Bewoners van Loosdrecht, of mensen die op bezoek gaan bij de showroom van Interboat. Niet het type dat in de jachthaven aan zijn boot schuurt, of een zestienkwadraat gaat huren bij Ottenhome.

De burgemeester is ervan overtuigd dat de sloep de redding van Loosdrecht is. ‘We zijn de sloepenboulevard van Nederland’, zei Bijl toen hij vorig jaar de nieuwe showroom van Interboat feestelijk opende. Zo komt het lot van Loosdrecht steeds meer in handen van mensen die geen gedoe willen. Die best wel eens willen varen, maar geen zeilen willen hijsen. Voor wie Loosdrecht een steiger is, geen dorp.

Doorzicht

Er is nog een onderwerp waar Loosdrecht en de buitenwereld met elkaar in botsing zijn gekomen: het water zelf. Want sinds er een Europese Kaderrichtlijn Water is, en sinds de provincie die richtlijn heeft ingevuld met normen, sinds die tijd is er een probleem met het water. Niet dat het verontreinigd is. Het water is juist schoner geworden, er zit aanzienlijk minder fosfaat in dan vroeger. Zwemmen is overal toegestaan. Maar volgens de nieuwe normen heeft het Loosdrechtse plassenwater te weinig ‘doorzicht’. Het is troebel. ‘Ja logisch’, zegt Jan Siemons, waarnemend voorzitter van watersportvereniging ‘De Vrijbuiter’. ‘Het is veen, en er zweven allemaal kleine veendeeltjes in het water.’

Maar dat is niet de logica van de provincie. Het water moet helderder, en daarom moeten er drie diepe gaten in de plassen worden gemaakt. Gaten van zo’n vijftien a twintig meter diep, en ettelijke honderden meters in doorsnee. Daar kunnen die deeltjes dan in bezinken. Zo wordt niet alleen het probleem van het troebele water opgelost, ook wordt de hele plas dan dieper waardoor er minder gebaggerd hoeft te worden.

Die oplossing kan in Loosdrecht op erg weinig enthousiasme rekenen. Men vreest onomkeerbare ingrepen, verzakkende oevers, hogere golven, draaikolken, water dat niet meer bevriest, ‘zodat ook in die enkele schaatswinter die we nog hebben de plas niet meer dichtgaat’, en zandzuigers die jarenlang op de plassen aan het stampen zijn. De gemeenteraad heeft zich in grote meerderheid tegen de gaten verklaard. Dat heeft de provincie niet op zich laten zitten. Zij sloeg terug met een ‘aanwijzing’, ongeveer het sterkste machtsmiddel dat de provincie heeft. De gemeente moet nu meewerken, maar er wordt nog een door Ballast Nedam aangedragen alternatief onderzocht.

Jan Siemons: ‘Heilloze plannen. Wie zegt dat die veendeeltjes in die gaten terechtkomen? En de Loosdrechtse plassen slibben echt niet dicht. Je ziet sinds een paar jaar weer Regenbogen op Loosdrecht. Die boten steken behoorlijk diep, vroeger liepen ze hier vast! En het water is schoon, er zit hier heel wat zoetwaterkreeft.’ Het is algemeen bekend, zegt Siemons, wat de werkelijke reden is voor dit plan. ‘De provincie heeft zand nodig, voor IJburg, voor de verbreding van de A2, voor allerlei bouwprojecten. En tegenwoordig moeten de provincies zelf voor hun zand zorgen. Dus het kwam goed uit, dat Loosdrecht in 2002 bij Noord-Holland kwam.’

Burgemeester Bijl kent de zandtheorie, hij wil die niet bevestigen, maar ook hij ziet niets in die zandzuigers. ‘Drie diepe gaten, daar doen we niet aan mee.’ Hij kijkt er vastbesloten bij. Van Fortis heeft het dorp de strijd verloren. Maar dat dorpscentrum komt er, en die kwestie van die gaten gaat de gemeente ook winnen.

Hoopt de burgemeester. M

Warna Oosterbaan is redacteur van NRC Handelsblad.

Otto Snoek is fotograaf.

[streamers]

De watertuin van Nederland heet het hier, en daar zit wel wat in.

‘De afgelopen decennia is het niet de goede kant opgegaan met Loosdrecht.’

‘Nogal wat projectontwikkelaars grepen hun kansen, want woningbouw is lucratiever.’

‘We hadden eerst ook jazz op zondagmiddag, maar de buren klaagden.’

‘Voor de jeugd is varen een trage manier om nergens te komen. Ze gaan liever naar Salou.’

‘Als je de hele dag met je hoofd in je laptop zit, dan is het heerlijk, die wijde blik op het water.’