Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

SP moet partijorganisatie aanpassen

De SP heeft van oudsher een eigenaardige partijcultuur. Ondanks hervormingen neemt de top een te dominante positie in.

Dit wringt, nu de SP zo groot wordt, vindt Gerrit Voerman.

De laatste jaren heeft de SP verschillende incidenten meegemaakt. Het Tweede Kamerlid Lazrak maakte zich los van zijn fractie. Partijleider Marijnissen veegde in een documentaire zijn fractiegenote Kant de mantel uit, en riep recentelijk nog fractiegenote Renske Leijten in het programma Pauw en Witteman publiekelijk tot de orde. Het Turkse Statenlid Düzgün Yildirim kreeg van de partijtop de wind van voren omdat hij tegen de opzet in verkozen was tot Eerste Kamerlid. En nu is eindredacteur Elma Verhey van het partijblad Tribune geschorst omdat zij een kritisch artikel over deze zaak wilde plaatsen. Hoewel partijsecretaris Van Heijningen gelijk had dat in deze bijdrage het journalistieke principe van ‘hoor en wederhoor’ niet was toegepast, ontstond toch de indruk dat de partijleiding de vrijheid van meningsuiting wilde knevelen.

Wat opvalt in de reacties van de buitenwereld op deze incidenten is de twijfel die steeds wordt uitgesproken over het democratische karakter van de SP. De partij zou totalitaire trekjes hebben, en Marijnissen zou als een potentaat heersen over de organisatie. In hoeverre zijn deze aantijgingen juist?

Voor een deel hangt de kritiek samen met het verleden van de partij. De SP is voortgekomen uit de maoïstische oppositie, die in het midden van de jaren zestig uit de CPN stapte. Als leninistische voorhoedepartij was zij georganiseerd langs de lijnen van het democratisch centralisme, hetgeen de partijtop (het ‘Politiek Buro’) in de praktijk een groot overwicht verschafte. Verantwoording legde de partijleiding nauwelijks af: het partijcongres – formeel het hoogste partijorgaan – kwam in de eerste twintig jaar van het bestaan van de SP slechts vijfmaal bijeen. Na 1990 werd de partijstructuur hervormd. De achterban kreeg nu meer mogelijkheden de leiding te controleren: er werden vaker congressen gehouden en ook werd de partijraad ingevoerd, die elk kwartaal vergadert.

Ondanks deze hervormingen bleef het organisatorische model van de SP hiërarchischer dan dat van de meeste andere Nederlandse partijen, hetgeen gezien haar ontstaansgeschiedenis niet vreemd is. Het hoogste gezag binnen de SP wordt tegenwoordig gevormd door de partijraad, die bestaat uit de door de leden gekozen afdelingsvoorzitters en de leden van het partijbestuur. (Dit laatste is overigens vreemd, aangezien de partijraad het partijbestuur moet controleren; bij andere partijen met een partijraad – GroenLinks, VVD – komt deze figuur dan ook niet voor.) Ook de regionale partijorganisaties en het partijcongres, dat onder meer het landelijke verkiezingsprogramma en de kandidatenlijst vaststelt, zijn samengesteld op basis van het delegatie-beginsel: de leden wijzen op een afdelingsvergadering de congresafgevaardigden en de regiovertegenwoordigers aan. De regio’s en het congres kiezen op hun beurt het partijbestuur, dat weer uit zijn midden het dagelijks bestuur kiest. Deze getrapte structuur betekent dat de leden van de SP slechts indirect invloed kunnen uitoefenen. Vergeleken bij de meeste andere politieke partijen komen de SP-leden er daarmee bekaaid af. Hoewel de mogelijkheden per partij verschillen, kunnen de leden van de meeste partijen heden ten dage meepraten en –beslissen op ledencongressen, of thuis stemmen over de lijsttrekker of de partijvoorzitter, of deelnemen aan een intern referendum. Binnen de SP kan dat allemaal niet.

Tegenover het in vergelijking weinig invloedrijke individuele partijlid staat een relatief machtige partijleiding. Met name Marijnissen neemt een dominante positie in binnen de SP. Dit heeft voor een deel te maken met het ontbreken van een reglementaire beperking van het aantal termijnen dat iemand eenzelfde bestuursfunctie kan vervullen, of van anticumulatiebepalingen die verbieden dat één persoon meer functies tegelijk kan bekleden – zoals in de meeste andere partijen gebruikelijk is. Als gevolg van de afwezigheid van dergelijke restricties kan Marijnissen sinds 1988 voorzitter van de partij zijn en sinds 1994 voorzitter van de Tweede Kamerfractie. Ook al wordt hij regelmatig door het partijcongres en de Tweede Kamerfractie herkozen, dan nog kunnen de lange zittingsduur en de combinatie van functies leiden tot een vanuit democratisch oogpunt minder wenselijke machtspositie – zeker in combinatie met het enorme prestige dat Marijnissen in de partij geniet als degene die de SP groot heeft gemaakt.

Overigens is Marijnissen niet de enige die al lang dezelfde functie bekleedt: zo was binnen het dagelijks bestuur Tiny Kox (momenteel voorzitter van de Eerste Kamerfractie) vijftien jaar partijsecretaris, en is de landelijke penningmeester al meer dan tien jaar in functie.

Een dergelijk ervaren, op elkaar ingespeeld dagelijks bestuur met een dominante partijleider dient te worden gecontroleerd door een onafhankelijk, sterk partijbestuur, maar deze positie wordt – in ieder geval in theorie – verzwakt doordat een aantal leden van dit gremium op de loonlijst van de SP staat. Van de tien in 2005 rechtstreeks door het partijcongres aangewezen ‘algemene’ bestuursleden heeft minstens de helft een betaalde functie in het partijapparaat (vroeger ‘vrijgestelden’ geheten). Dit kan leiden tot de vermenging van persoonlijke en politieke belangen, of tot verstoring van de controlerende functie door arbeidsvoorwaardelijke factoren. Hiermee is zeker niet gezegd dat dit gebeurt, maar wel dat de schijn beter vermeden kan worden door het aanbrengen van een strikte scheiding tussen het controlerende partijbestuur enerzijds en de betaalde partijmedewerkers anderzijds.

Minder grijpbaar is de invloed van oudgedienden binnen de top van de SP. Zo maken van het huidige partij- en dagelijks bestuur nog altijd een aantal personen deel uit die bij de oprichting van de partij aan het begin van de jaren zeventig waren betrokken. Daarbij zijn ook de familiebanden van leidende SP’ers opvallend, die uniek zijn binnen de Nederlandse politiek.

Om enkele voorbeelden te noemen: de echtgenote van partijleider Marijnissen was wethouder in Oss en zit nu samen met hun dochter in de gemeenteraad. De echtgenote van het Tweede Kamerlid en SP’er van het eerste uur Jan de Wit was lid van het dagelijks bestuur en is momenteel opnieuw wethouder in Heerlen. De zoon van de Nijmeegse wethouder en oud-partijvoorzitter Hans van Hooft is fractievoorzitter van de SP in dezelfde gemeenteraad. Deze combinatie van sleutelfuncties binnen één familie – en er zijn meer gevallen – maakt geen transparante en professionele indruk.

Dit wil niet zeggen dat de top van de SP geheel gesloten is voor anderen: betrekkelijke nieuwkomers als partijsecretaris Hans van Heijningen en Tweede Kamerlid Ronald van Raak zijn daar voorbeelden van. Wel kan de prominente positie van oudgedienden met hun familieleden de indruk wekken van een weinig doorzichtige inner circle binnen de partij.

In formele zin is de SP een democratische partij. Het interne partijleven wordt keurig gereguleerd door de door het partijcongres vastgestelde statuten en reglementen; Marijnissen en de andere bestuurders stellen zich steeds opnieuw kandidaat voor hun functies. Wanneer als criterium de mate van directe zeggenschap voor de leden wordt gehanteerd, dan zijn de meeste andere partijen in Nederland echter democratischer.

Het is tekenend dat de SP (met de SGP) in de afgelopen jaren niets aan haar getrapte, in vergelijking hiërarchische partijstructuur heeft gewijzigd, terwijl alle andere partijen ertoe overgingen om de leden meer invloed toe te kennen. Daarbij komt ook dat de meeste partijen paal en perk stellen aan de invloed van bestuurders door het aantal termijnen dat een functie kan worden bekleed te beperken en de combinatie met andere functies te verbieden.

De SP kent deze restricties niet, hetgeen zeker bijdraagt tot de dominante positie van de partijtop en partijleider Marijnissen. Ook de partijcultuur van de SP kent elementen die in andere partijen niet of veel minder voorkomen, zoals de als controleurs fungerende vrijgestelden, en de prominente positie van oudgedienden, hetgeen tot vragen aanleiding kan geven over de transparantie binnen de partij. Ook het niet altijd zachtzinnige optreden van partijleider Marijnissen, zowel in het publiek als achter gesloten deuren, behoort tot de eigenaardigheden van de partij.

Het is echter de vraag hoelang deze bijzondere organisatiecultuur nog kan bestaan. Naarmate de SP groter wordt, neemt de beheersbaarheid van de partij vanuit het centrum af. Sinds 2002 is het ledental van de partij verdubbeld. Deze tienduizenden nieuwe leden zijn niet ‘opgegroeid’ in de partijcultuur, en zullen wellicht – mede door de incidenten van de laatste tijd – meer geneigd zijn vraagtekens te zetten bij de wijze van functioneren van de SP. Aanpassing van de partij lijkt daarom geboden – net zo als de andere partijen hebben gedaan. Marijnissen hoeft zich daarbij om zijn positie weinig zorgen te maken: bij rechtstreekse verkiezingen onder de leden is de kans immers groot dat hij herkozen wordt – tenzij het aantal bestuurstermijnen wordt beperkt.

Gerrit Voerman is directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werkt aan een boek over de SP.