‘Klik’ ik heb je

Kinderen leren niet allemaal op dezelfde manier. Human Dynamics helpt hun leerstijlen te herkennen. Marlies Hagers

Op basisscholen kom je nog maar zelden een lokaal tegen met rechte rijen tafeltjes. Het onderwijs wil niet meer alle kinderen over één kam scheren. Het moet individueler. Adaptief onderwijs heet dat. Geef elk kind wat het nodig heeft.

Maar in Nederland is die aandacht voor variëteit een nog tamelijk onontgonnen terrein.

Human Dynamics, een uit Amerika overgewaaide persoonlijkheidsleer, is succesvol in dat gat gesprongen, lijkt het. De theorie is ontwikkeld door psychotherapeute Sandra Seagal. Zij maakte een indeling in typen mensen op basis van drie ‘principes’: het mentale, het fysieke en het emotionele principe. Het gaat daarbij om de manier waarop mensen hun omgeving ervaren en zich daarin staande houden. Iedereen doet dat met zijn hoofd (mentaal), zijn zintuigen (fysiek) en zijn gevoelens (emotioneel) maar nooit met alle drie op een evenwichtige manier, zegt Seagal.

Altijd is er één principe dat een centrale plaats inneemt en dat bepaalt bij uitstek hoe iemand communiceert, handelt en leert (zie ook kader).

snaar

Nieuw is zo’n indeling in persoonlijkheidstypen niet. De oude Grieken onderscheidden ‘de vier temperamenten’; uit de moderne persoonlijkheidsleer kennen we de indeling in dimensies – ‘the big five’. Maar Seagal weet in het onderwijs blijkbaar een snaar te raken. Onderwijsadviesbureaus zoals Interstudie, KPC-Groep en de ‘Associatie voor veranderaars’ trainen jaarlijks samen zo’n 2.000 leraren en schoolleiders in Human Dynamics.

Carina Dautzenberg is directeur van basisschool Waterrijk in Leidsche Rijn bij Utrecht Ze noemt zo’n cursus een ‘feest der herkenning’. “Ineens kun je het gedrag dat je bij kinderen ziet, plaatsen.” Waarom het ene kind alles dat in de klas voorvalt, op zichzelf betrekt, bijvoorbeeld. En waarom een ander maar blijft denken dat een opdracht nog niet goed genoeg af is. Door Human Dynamics snap je dat kinderen doen zoals ze zijn, zegt Dautzenberg. “Je krijgt handgrepen – ideeën voor opdrachten en materiaal – om hen op hun manier te helpen met leren.”

pretpark

“De opdracht is: ontwerp samen een pretpark. En hiermee mag je gaan bouwen.” De videocamera glijdt over een tafel vol blokken, lego, playmobiel, klei, bakken zand en steentjes, hout en allerlei gereedschap. Drie jongens van een jaar of tien luisteren zwijgend naar de uitleg. Hun ogen flitsen even naar de tafel vol uitgestald bouwmateriaal. Is alles goed begrepen? Knikjes en een glimlachje. Aan de slag dan maar.

De video toont meerdere groepjes die dezelfde opdracht krijgen. Truus van Putten, landelijk coördinator Human Dynamics, laat hem vaak zien op de cursussen die ze geeft. De makers hebben expres kinderen van hetzelfde type bij elkaar gezet, zegt ze, “dan zie je goed hoe verschillend kinderen zo’n taak te lijf gaan”. Het mentale groepje maakt eerst op papier een plan, we zijn tien minuten verder voordat ze aarzelend hun materialen kiezen. Er wordt veel nagedacht en weinig gepraat. Uiteindelijk nemen ze elk een hoekje van de tafel en bouwen daar hun eigen stukje priegelpark. De emotionele kinderen springen enthousiast op het materiaal af en beginnen zonder plan te bouwen. Ze kletsen en lachen minstens zoveel als ze werken: over pretparken, verjaardagfeestjes, bijna-ongelukken op schoolreisjes – van de hak op de tak. Ze liggen in een deuk als een achtbaan omvalt. Het eindresultaat is een vrolijk maar rommelig geheel, met veel poppetjes erin. Het derde groepje, de fysieke kinderen, pakt het ’t meest praktisch aan. Ze bespreken vanuit hun eigen ervaringen met pretparken wat daar allemaal in hoort te staan. Ze kiezen hun materialen zorgvuldig. Ze praten alleen over het bouwen. Ze vragen en geven elkaar adviezen en helpen met vasthouden. Op hun tafel valt niets om.

Elk type – ‘dynamiek’ in het jargon van Human Dynamics – heeft sterke en zwakke kanten. En bij elk type weet Truus van Putten ook te vertellen waar je als leerkracht op bedacht moet zijn. “Emotionele kinderen”, zegt ze bijvoorbeeld, “willen gezien worden in de klas, vooral ook door de leerkracht. Als er geen klik is met de docent leert zo’n kind niet.” En over fysieke kinderen: “Dit zijn de kinderen die altijd willen weten waarom ze iets moeten leren, waar het mee te maken heeft. Ze willen een strategie kunnen bepalen. In een vage of te brede opdracht lopen ze vast.”

geen test

De vraag dringt zich op: hoe kun je dit allemaal weten? Een test bijvoorbeeld om iemands dynamiek vast te stellen is er niet. Dat is ook een belangrijke reden waarom de wetenschappelijke wereld – Human Dynamics is daar onbekend – negatief of zeer terughoudend reageert. “Men zegt tachtigduizend mensen geobserveerd te hebben”, zegt Reinout de Vries. Hij werkt aan de afdeling Arbeids- en organisatiepsychologie van de VU, “maar dat vormt op zichzelf geen bewijs voor de betrouwbaarheid van de indeling. Daarvoor zouden verschillende observanten onafhankelijk van elkaar tot dezelfde conclusie moeten komen: deze persoon heeft deze dynamiek.” De Vries wijst ook op het ontbreken van een peer review, een beoordeling van publicaties door vakbroeders.

Truus van Putten erkent en betreurt dit. Ze vindt dat ‘Amerika’ “dit heeft laten liggen”. Van Putten, van huis uit onderwijskundige, zou graag onderzoek starten vanuit het hoger of wetenschappelijk onderwijs, zegt ze, naar het concept en naar de effectiviteit van Human Dynamics. Doordat ze leerkrachten begeleidt, heeft ze veel praktijkvoorbeelden. Zoals dat van een vierjarig jongetje, herkend als ‘mentaal’ doordat hij zo gefocust, stap voor stap en stilletjes (“met weinig ego”) werkt. “Als hij de opdracht krijgt een auto te tekenen, krijg je alleen die auto, met spiegel en bumper en alle essentiële dingen erop en eraan. Maar de leerkracht denkt: dat is niet af, of: wat saai. Tekeningen die ze wel goed beoordeelt zijn tekeningen die het hele blaadje vullen en veel kleur hebben.” Ze oordeelt vanuit haar eigen – emotionele – dynamiek en vanuit wat ze geleerd heeft over de algemene ontwikkeling van kinderen, legt Van Putten uit. Ze ziet niet dat dit jongetje heel anders naar de wereld kijkt. “Als je dan tegen zo’n kind zegt ‘ga er nog maar eens wat bij tekenen’, dan snapt hij dat niet en hij kan het ook niet.”

De boodschap is duidelijk: het kind wordt in zijn ontwikkeling tegengewerkt, met wie weet wat voor nadelige gevolgen.

Dit soort voorbeelden verklaart het succes van Human Dynamics in het onderwijs: het geeft leerkrachten een handvat om leerstijlen te benoemen. “Heel goed dat mensen zich daarin verdiepen”, zegt Reinout de Vries. “Zolang ze de indeling en adviezen maar niet rigide gebruiken.”

sympathiek

Veel ‘adepten’ van Human Dynamcs lijken vooral te vallen voor de sympathieke manier waarop er naar kinderen wordt gekeken. Jelly Bijlsma, projectleider Human Dynamics bij KPC-Groep noemt Human Dynamics een hulpmiddel om dat te leren: observeren. “Ik schrik er vaak van dat leerkrachten dat niet kunnen. Dat zie je op de ingevulde observatielijsten van de leerlingvolgsystemen. Ze interpreteren meteen. Zo van ‘dat kind is niet aan het werk en doet dus niks’.” Kinderen die ruzie maken als ze in een groepje iets moeten doen of kinderen die door het lokaal stuiteren, geven signalen af dat ze niet uit de voeten kunnen met de manier waarop ze moeten leren, vindt zij. “Als je dat gedrag niet snapt, ga je het straffen. Als je het wel snapt ga je ze helpen.”

Yvonne Raaijmakers, directeur van een groep van 21 basisscholen in Noord-Limburg, ziet wel een praktijkprobleem. “Het leren van kinderen is een complex geheel”, zegt zij. “Zeker met jonge kinderen moet je erg oppassen dat je ze niet te snel in een hokje stopt.” Josee Briaire, product manager Human Dynamics bij Interstudie, zegt dat het ook niet nodig is om kinderen in een hokje te stoppen. “Het is een kwestie van dezelfde leerstof op meerdere manieren aan te bieden”, zegt zij. “Dan kom je er wel achter hoe elk kind het liefste werkt en dat geeft je weer informatie over hun dynamiek.”

Raaijmakers gebruikt Human Dynamics zelf vooral als managementtechniek. ‘Haar’ schoolleiders zijn allemaal op cursus geweest. “Als mentaal persoon kun je bijvoorbeeld met een plan van aanpak goed uit de voeten als je de hoofdlijnen hebt vastgesteld. Maar een teamlid met een fysieke dynamiek zal lang willen praten over de uitvoering. Dan kan je denken ‘daar komt dat mens weer alles op de vierkante millimeter uitmeten’, maar hij of zij is wel degene die moet uitvoeren. Als je aan de vragen van zo iemand voorbijgaat, is de kans op slagen een stuk kleiner.” Het maakt het werken in je team ook ontspannener, vindt ze. “Alleen al dat je er grappen over kunt maken. Zo van ‘wat reageer je weer mentaal’ of ‘jij bent wel heel erg fysiek’.”