Jozef is tevreden

Het botenproject is mislukt, de haven is er ook niet gekomen. Maar: er is kabelaansluiting.

Oud-strijder Jozef Foto Carolijn Visser
Oud-strijder Jozef Foto Carolijn Visser Visser, Carolijn

Jozef woont aan een zandpad dat naar het strand leidt. Zijn hut staat ver genoeg van zee zodat een springvloed het bouwseltje niet verzwelgen kan. Verscholen achter palmen en mangobomen wonen zijn broers Mozes, Gabriel en Junior met hun families. Na de oorlog zijn ze hier in Puerto Cabezas in het Noordoosten van Nicaragua neergestreken. Alle Hunter-broers waren contra’s, ze bevochten de Sandinisten, nu verdienen ze als vissers de kost.

„Ik heb je toch wel eens verteld dat ik met onze commandante bij president Reagan op bezoek ben geweest?”, vraagt Jozef. Zijn baard is inmiddels grijs, dit jaar werd hij zestig, maar hij is nog steeds zo sterk als een beer.

„Ja”, zeg ik. „Wat kregen jullie ook weer te eten?” „Steaks”, Jozef houdt zijn handen een halve meter uit elkaar. „Zo groot.” Terwijl de commandante binnen met de Amerikaanse president overlegde, werden zij in een bijgebouw op een heerlijke maaltijd getrakteerd. „Dus Reagan zelf hebben jullie niet gezien?”, informeer ik. „Nee, maar wel zijn vrouw, Nancy. Ze heeft ons allemaal een hand gegeven.” „Was ze aardig?” „O yes Ma’am !”, knikt Jozef. Hij is een Creool met Miskito-bloed. Zijn voorouders zijn indianen, piraten en slaven uit op de kust gestrande schepen.

We staan op zijn veranda en kijken over zijn erf waarin een blauw geschilderd grafje het middelpunt vormt. Daar rust het doodgeboren vijfde kind van Jozef en zijn vrouw Alice. Rond het monumentje stoeien de jongste zoons en een stel kleinkinderen. Vier peuters spelen op de trap met pasgeboren hondjes. De dochters en schoondochters die ik eerder heb begroet zijn allemaal zwanger. Zoveel vruchtbaarheid zou mij beklemmen, maar Jozef – die al die monden voeden moet – wijst met een gelukkig gezicht op alle donkere hoofdjes en noemt hun namen.

Ik ken Jozef en zijn goedlachse Miskito-vrouw uit de tijd van het ‘botenproject’. Met geld van een christelijke hulporganisatie bouwde Bob, een Amerikaanse Vietnamveteraan, houten zeilschepen voor de gebroeders Hunter. Daarmee konden ze verder de zee op dan met hun kayuko’s, zodat ze naar huis konden terugkeren met een grotere vangst. „Hoe is het met de schepen van Bob?”, vraag ik. „Them long gone”, zegt Jozef. „Zijn ze kapot?”, informeer ik. Jozef schudt heftig zijn baard. „I mean gone ma’am! Geen plank van over! Geen spijker! Geen splinter!” Hij vist al jaren lang weer met zijn kayuko.

Van begin af aan was er gedoe geweest, herinner ik me, rond het onderhoud van de scheepjes. Ze lekten veel, de naden moesten regelmatig gedicht worden met kit die Bob uit Florida liet overkomen. En er waren andere euvels, echt voorzichtig waren de Hunters niet. Bob kwam elke middag naar het strand en inde tien procent van de vangst om de kosten te bestrijden. Toen Bob terugging naar de VS, droeg hij alle taken over aan Kookie, een Creool die net als hij lid was van de evangelistische Verbo-kerk.

Meteen al had Kookie bitter geklaagd dat de Hunter-broers geen geld af wilden staan. „We sent him running Miss Carol!”, zegt Jozef tevreden.

Kookie en zijn gereedschap waren uit hun leven verdwenen, de scheepjes vielen stuk voor stuk uit elkaar. „Het hout hebben we gebruikt om op te koken”, zegt Jozef. Wat hem betreft was er van verspilling geen sprake geweest. „En de haven?”, vraag ik. „Die is er nooit gekomen.”

Amerikaanse Bob had – die keer met Japans geld – een pier willen aanleggen waarachter een veilige diepte zou ontstaan om aan te leggen. Hij haalde grote keien uit het binnenland maar kreeg het aan de stok met indianen die daar woonden. Ze wilden geld. Ook de burgermeester eiste hoge bedragen voor vergunningen. De bouw begon, maar werd spoedig stilgelegd omdat een man die een grote lading zand over zich heen kreeg overleed. Bob had de klus blijkbaar nooit afgemaakt. „En die grote keien?”, vraag ik. „Die liggen nog op het strand. De burgemeester wilde ze voor de bouw van zijn nieuwe huis, maar dat hebben we niet toegestaan. Die keien zijn nu van ons.”

In mijn ogen is alles mislukt, maar Jozef ziet het anders. „Kom eens kijken”, zegt hij. In de hut staat een piepkleine televisie op een houten tafel. Jozef heeft ook kabelaansluiting. „De oudste jongens vissen nu ook”, verklaart hij zijn toegenomen rijkdom. „Vanavond is er een bokswedstrijd.” Jozef maakt vrolijk een paar stotende bewegingen in de lucht.

Drie plastic stoelen zijn er maar, de rest van het publiek zit op de grond. Broers, neven, kinderen en dochters. Ook het balkon is totaal bezet.

Tijdens het hoogtepunt van de wedstrijd tel ik vijfenveertig paar ogen.

Als de laatste klap gevallen is, verdwijnt een deel van de toeschouwers in de nacht, die wonen elders. De familieleden van Jozef hangen muskietennetten op in de hut en maken zo een kamer voor zichzelf, hun partner en hun kinderen. Een enkel groepje beschikt over een bed, de rest slaapt op de planken. „Ga je morgen weer vissen?”, vraag ik. Jozef wijst op zijn haken en draad die al klaarliggen en zegt: „Yes ma’am. Morgenochtend om vier uur.”