‘Belg wordt geboren met een baksteen in zijn maag’

In België investeert de middenklasse in het huis. Huisraad, vooral pompeuze, is waar Belgen dol op zijn. Op de Belgische meubelboulevards is het altijd druk. Wie bij de Matrassenkoning niet slaagt kan vijftig meter verderop terecht bij de Matrassenreus.

Het is zo’n dertien in een dozijn shopping mall aan de rand van Antwerpen, maar dan met Belgisch karakter. Dus nog ongeordender en nog lelijker. De A12 naar Brussel raast er doorheen, wie naar een winkel wil moet tijdig de afslag naar de ventweg nemen. Daar vindt de Belg wat hij zoekt: huisraad. Blokkendozen vol met van alles voor in en om het huis. Grote, vooral grote meubels, verlichting, vooral pompeuze, tuinattributen, slaapkamercentra, het is maar een greep. Wie bij de Matrassenkoning niet slaagt kan vijftig meter verderop terecht bij de Matrassenreus.

Als de gemiddelde Belg ergens in investeert is het in zijn huis. Het huis dat hij vaak zelf heeft gebouwd op een perceel grond dat al ruim van tevoren door zijn ouders voor dit doel was gereserveerd. „De Belg wordt geboren met een baksteen in zijn maag”, luidt de uitdrukking. Geert van Istendael klaagt in zijn bekende boek Het Belgisch Labyrint dat de open ruimte in Vlaanderen is „volgestouwd”. Als de huizen af zijn gaan de Belgen door met de inrichting. Met banken voor Vlaamse reuzen en vazen voor volwassen bomen, aldus Van Istendael.

Op de Belgische meubelboulevards is het altijd druk.

Zij zitten met hun drie jonge kinderen in het restaurant van de Ikea. Peter en Ilse van Hauwermeiren. Hij 45 jaar, zij 37. Beide sportleraar op een school. Ze wonen in het even buiten Antwerpen gelegen Stekene. Een dorp dat zich afficheert als „een oase van rust en groen”. Eens in de drie maanden bezoeken ze het Zweedse woonwarenhuis. De oogst van enkele uurtjes trekken langs producten als Bravad, Besta, Hensvik en Dimpa is dit keer bescheiden. Niet meer dan enkele snuisterijen voor in huis.

Ja, ze behoren tot de middenklasse, zegt Peter van Hauwermeiren. Dat wil zeggen, dat denkt hij. Man, vrouw, drie kinderen, beide werkend, de één fulltime, de ander vier dagen in de week en een gezamenlijk netto-inkomen van rond de 4.500 euro per maand. Ze voelen zich in elk geval tot de middenklasse behoren. Wat dat is? „Baan, kinderen, huis en een auto”, somt Van Hauwermeiren op. En tevreden levensgevoel, voegt hij er na even denken aan toe. „Alles is wel goed, we hebben eigenlijk geen klagen.” Volgende week vertrekt de familie voor een vakantie van twee weken naar Lanzarote. „Daar zijn we wel aan toe.” Politiek? Het houdt ze niet echt bezig. Als het land maar ordentelijk wordt bestuurd. Geen wilde dingen dus. Zijn stem ging bij de verkiezingen van 10 juni naar de christen-democraat Yves Leterme. In hem heeft hij, net als de meeste van zijn andere landgenoten zoals bleek, het meeste vertrouwen.

De middeninkomens. Ze zijn ook in België een bekend begrip. Althans: in het spraakgebruik. In de verkiezingsstrijd van vorige maand kwamen ze enkele keren langs toen het ging over de plannen van de verschillende partijen om de belasting te verlagen. Maar beheersen deed het inkomensbeleid de campagne niet. Integendeel. Het bij de noorderburen veel gebezigde millimeteren met koopkrachtmodellen en politiek profileren op tienden achter de komma is de Belgen vreemd. „De politiek interesseert zich niet zo in inkomens”, zegt de aan de Universiteit van Antwerpen verbonden professor Karel van den Bosch. Hij doet onderzoek naar de leefomstandigheden van de laagste inkomensgroepen. Maar middeninkomens? „Dat zijn geen referenties die voorkomen in het beleid.”

Daar komt nog bij dat ook in België het klassieke gezin, man, vrouw twee kinderen aan erosie onderhevig is. De groep alleenstaanden groeit daarentegen explosief. Tussen 1970 en nu is het aantal singles verdubbeld. Waren dat vroeger vooral weduwen en weduwnaars, tegenwoordig vormen mensen die nooit huwden de grootste groep. Kortom, dé middengroep als statistisch model bestaat niet.

In de statistieken gaat het om gemiddelden, en vaak om de afzonderlijke landsdelen waarin België is opgesplitst. Die leren dat de werknemers in Vlaanderen gemiddeld meer verdienen dan hun collega’s in Wallonië of het gewest Brussel. Met uitzondering van bedrijfsleiders en kaderpersoneel. Die categorie wordt het best betaald in Brussel, wat met zijn vele Europese instellingen en aanverwante organisaties niet verwonderlijk is.

Van elke verdiende euro in een Belgisch doorsnee huishouden gaat 21 cent oftewel een vijfde deel in woonkosten zitten. Verwarming, elektriciteit en water kost nog eens ruim 5 cent. De inrichtingskosten van huis en tuin: 5,8 cent. Voeding, drank en tabak vergt 16 cent van elke euro en vervoer 13 cent. Vakantiereizen slokken 3 cent van elke euro op.

In het restaurant van de Ikea-vestiging in Antwerpen maakt de familie Van Hauwermeiren zich op voor de tocht naar de kassa. Echte droomwensen voor zichzelf kunnen ze niet direct bedenken. Wat ze nodig hebben om het huishouden draaiende te houden, kunnen ze kopen. „Geen gekke dingen”, zegt vader Peter. „We denken wel eerst na voordat als we iets bijzonders kopen. Hebben we het nu wel echt nodig.” Sparen doen ze maandelijks. „Die pensioenen bij ons zijn niet echt goed geregeld, dus daarom leggen we zelf geld opzij. En als we dan nog steeds wat over hebben zetten we dat op de spaarrekeningen van de kinderen.”

Hebben ze dan echt niets te klagen. Nu ja, één ding dan. Belasting betalen moet, maar Van Hauwermeiren heeft er wel moeite mee als de belastingopbrengsten daarna naar Wallonië worden overgeheveld. „Daar heerst toch die zuidelijke mentaliteit met zijn hoge werkloosheid, terwijl wij Vlamingen hard werken.” Hij weet, de staatshervormingen gaan daar wat aan doen. Beter gezegd, moeten er wat aan gaan doen. „Maar ja, dat is politiek hé? Dan moeten we eerst maar eens zien of het gebeurt.”