Arnhem behaagde de minister het meest

Het Nationaal Historisch Museum komt niet in de Randstad maar in Arnhem, op de Veluwe, tussen het Openluchtmuseum en Burger’s Zoo. Aldus heeft minister Plasterk (OCW, PvdA) gisteren op eigen houtje beschikt na een publieke inspectietocht langs Arnhem, Amsterdam en Den Haag.

Arnhem richt zich op de geschiedenis van gewone mensen, zoals ook is te zien in oude boerderijen en ambachten die in het plaatselijke Openluchtmuseum zijn opgesteld. Het nieuwe museum moet een heldere chronologische context bieden die aansluit bij het ontwikkelde canon. Er komt een Canontoren met in chronologische volgorde opgestelde tijdperken die historisch worden uitgediept en van tastbare objecten, opstellingen en driedimensionale projecties worden voorzien. Het nieuwe museum zal meer onderwijzen dan gebruikelijk in musea, waarbij wordt aangesloten op bestaande leerplannen.

Behalve de gebruikelijke helden en schurken en hun al of niet gerepliceerde parafernalia kunnen in zo’n opstelling ook wisselend de geschiedenissen van bepaalde Nederlandse etnische groepen, brede ontwikkelingen, technische vindingen of industriële vooruitgang worden getoond. De klok van Christiaan Huygens of een microscoop van Anthonie van Leeuwenhoek hoeven niet eens origineel te zijn. Tastbare objecten voegen iets toe. Multimediaal spektakel is er ook thuis op de computer. Historische bijdragen en lotgevallen van allerlei minderheidsgroepen kunnen aan de tentoonstelling worden toegevoegd in wisselende samenstelling. Buitenlandse voorbeelden laten zien hoe waardevol dat kan zijn.

Ook het uitgangspunt dat het museum een uitstapje moet zijn voor mensen die normaal niet naar een museum gaan, is verstandig. In het druk bezochte Openluchtmuseum is ervaring met dit publiek. Arnhem is gemakkelijker voor bussen met schoolklassen bereikbaar dan de grote steden in het Westen. En na het opzoeken van de Surinaamse voorouders of na het aanschouwen van de gevolgen van de wandaad van Balthasar Gerards lonken de olifanten in de nabij gelegen dierentuin.

Amsterdam heeft zijn centrale ligging en vele andere attracties als voordeel. In Den Haag, de oorspronkelijke voorkeur van het kabinet, zou een bezoek aan het museum kunnen worden gecombineerd met het bijwonen van een zitting in de Tweede Kamer. Het accent van de Haagse plannen lag te sterk op de politieke geschiedenis. In Arnhem, op gepaste afstand van het nationale centrum, krijgt de regionale verscheidenheid van de Nederlandse geschiedenis vanzelf meer aandacht.

Toch werpt de keuze van Arnhem de vraag waarom niet bijvoorbeeld Almere, Deventer of Utrecht zijn uitverkoren waar ook organisatiecomités aan de slag zijn gegaan. Hun inspanningen waren tevergeefs omdat Plasterk van te voren geen heldere criteria voor zijn persoonlijke keuze had opgesteld, zodat die een willekeurig karakter kreeg. Buiten hoofdstad Amsterdam en regeringsstad Den Haag zijn de locaties minder vanzelfsprekend. Vandaar dat de Initiatiefgroep Nationaal Historisch Museum voor Deventer een klacht bij de NMa overweegt wegens een oneerlijke procedure. Zo’n stap kan slechts symbolisch zijn. Deventer is geen concurrerend bedrijf dat failliet kan gaan maar een gemeente. Plasterk heeft een politieke beslissing genomen waar verantwoording over moet worden afgelegd aan de Kamer. De minister heeft wat uit te leggen over zijn eigenzinnige procedure met verscheidene steden die naar zijn gunsten dongen. Al zou dat niet moeten leiden tot afwijzing van Arnhem. Uiteindelijk is de plaats van het museum in een klein, bereisbaar land minder belangrijk dan hetgeen daar wordt tentoongesteld. De organisatoren in Arnhem hebben in hun heldere plannen laten zien dat ze er wat van kunnen maken.