Zomervakantieboek

Hollands Diep 2. Weekbladpers, 162 blz. € 5,95

Sophie Hilbrand als de Venus van Botticelli op de cover, blootfoto’s van de onvermijdelijke Spencer Tunick binnenin, een wijnrubriek van Jay McInerney en een staatsiefoto van Koningin Elizabeth door Annie Leibovitz – met de glamour zit het wel goed in het tweede nummer van Hollands Diep. De culturele glossy onder redactie van Robbert Ammerlaan en Nicole Ex houdt vast aan zijn eigenaardige opmaak (met de gewild-moderne, afgesneden kopletters en rommelige kaders), en brengt opnieuw een aantrekkelijke mix van spectaculaire bijdragen. Het interview met de Hillary Clinton-biograaf Carl Bernstein ligt in het verlengde van zijn zijn recente promotietournee door Nederland (zie ook pagina drie van deze bijlage) en het is op zijn minst onthullend.

Onthullender in elk geval dan de reportage van de set van de verfilming van Jan Wolkers’ boekenweekgeschenk Zomerhitte, die intrigerend begint (‘„Natúúrlijk moet ze staand masturberen”, zegt Jan Wolkers bijna verontwaardigd’) maar geen moment raakt aan de beloofde spirituele ménage à six van regisseuse Monique van de Ven en scenarioschrijver Edwin de Vries, hoofdrolspelers Sophie Hilbrand en Waldemar Torenstra, en de Texelse monumenten Jan en Karina Wolkers.

Behalve Wolkers zijn ook twee andere monumenten van de Nederlandse literatuur in Hollands Diep vertegenwoordigd: Cees Nooteboom met een kort verhaal over een coup de foudre in Spanje en de bijna 80-jarige Harry Mulisch met een voorpublicatie uit het dagboek dat hij bijhield ten tijde van De ontdekking van de hemel, in de aanloop naar ‘het wonderbaarlijkste jaar van mijn leven’. Behalve over de research voor zijn magnum opus en over Mulisch’ buitenechtelijke relatie (die zal resulteren in een zoon), lezen we over de worsteling van het schrijven, die zo eigenlijk niet mag heten: ‘Zaterdag 27 april: Aan H40. Niet uitgesloten, dat ik goed bezig ben.’

Hollands Diep leest als de ideale uitvergroting van een Engelse zaterdagbijlage – met mooie foto’s, columns van hippe schrijvers (Tommy Wieringa, Menno Wigman), en stukken over eten, voetbal, tuinieren en kunst. Soms ligt de oppervlakkigheid op de loer, zoals bij een feature over dubbeltalenten of een rubriek als Gouden Handdruk (‘Hoeveel handdrukken ben je verwijderd van Maria Callas?’). Maar daar staat dan weer een mooi compacte impressie van het kunstenaars-Ibiza van de jaren zestig of een herinnering van Adriaan van Dis aan het Midden- Oosten van de late jaren zestig tegenover.

Voeg daarbij het hilarisch-smerige interview met Atte Jongstra over zijn voorliefde voor worst en de culinaire trauma’s uit zijn Friese jeugd, en je hebt een tijdschrift dat alleen kan worden omschreven als het ultieme Groot Zomer Vakantieboek.