Prick kon alle boeken verbinden

Harry G.M. Prick: Spelevaren. Van August von Platen tot Gerrit Komrij. Vantilt, 272 blz. € 24,90

De Parelduiker 2007/2: Harry G.M. Prick. Bas Lubberhuizen, 80 blz. € 8,75

Het huis van biograaf en letterkundige Harry G.M. Prick (1925-2006) was gevuld met talloze kastjes, laatjes en hoekjes met spullen. Alles had met literatuur te maken, en dan vooral zijn literatuur: die van Lodewijk van Deyssel allereerst en van dichters en schrijvers als August von Platen, Frederik van Eeden, Willem Kloos, Pierre Kemp, Marcel Proust, Gerrit Komrij, Boudewijn Büch en anderen, sommigen vergeten, velen niet.

Harry Prick was de man van het sprekende, literair-historische detail en van de pakkende anekdote. Als biograaf kon hij zich geen betere held wensen dan zijn geliefde auteur Lodewijk van Deyssel, aan wie hij een biografie in twee delen wijdde, In de zekerheid van eigen heerlijkheid (1997) en Een vreemdeling op de wegen (2003). Het is altijd Pricks wens geweest dat zijn verspreide publicaties ooit in een feestelijke bundel zouden verschijnen. Met Spelevaren is die wens, helaas postuum, vervuld. Tegelijk met de gebundelde opstellen laat het literaire tijdschrift De Parelduiker een aan Prick gewijd nummer verschijnen met brieven en bijdragen van onder anderen Jeroen Brouwers, Kees Fens en uitgever Geert van Oorschot. Beide publicaties zijn voorbeeldig verzorgd door Nop Maas.

Pricks enthousiasme kent geen grenzen. Zijn optimisme trouwens ook niet. In het ‘Voorwoord’ schrijft hij dat alles hem in het leven voorspoedig is gegaan. Hij is oprecht trots op zijn promotie in 1977 op Lodewijk van Deyssel. Hij schrijft: ‘Fortuna verloor mij niet uit het oog. De promotie zou zich cum laude voltrekken’. Pricks proefschrift telde 600 bladzijden en de argeloze lezer van Spelevaren wil de auteur graag op zijn woord geloven. Maar dan komt Kees Fens in De Parelduiker met een heel andere ervaring van genoemde promotie die hij ‘een raadselachtige vertoning’ noemt: ‘Op nogal wat vragen antwoordde Prick met de zin „Dat weet ik niet.” Het was kenmerkend dat Prick ook zijn onwetendheid breed glimlachend uitsprak. Neerlandicus Enno Endt boog zich „in steeds diepere schaamte” voorover.’

Na lezing van Spelevaren is het duidelijk dat er een Prick-methode in de literatuurwetenschap bestaat: leg verbanden die niemand ziet en reik de lezer details aan die een verklarende kracht hebben. Ik kan volstaan met een voorbeeld, en daarmee zijn de beide meeslepende Prick-uitgaven waardig gekenschetst. Prick legt de autobiografie Verwoest Arcadië (1980) van Gerrit Komrij onder het vergrootglas van zijn eigen belezenheid. Prick komt tot een fascinerende lijst van inspiratiebronnen en toespelingen die Komrij maakt. Hij speurt naar kinderboeken die Komrij noemt, verwijst naar T.S. Eliot, beluistert Ravel en Wagner in beschrijvingen, treft elders Mallarmé aan en vindt een gelijkenis van de jonge Komrij in het boek Eric or Little by Little uit 1858 van Frederic W. Farrar. Het zijn bladzijden die je doen duizelen. Ook jongensboekschrijver Dick Laan, schepper van Pinkeltje, passeert de revue. Zelfs de Pietje Bell- boeken van Van Abkoude komen langs, juist omdat die ontbreken in Verwoest Arcadië. Prick noemt zijn literaire onderzoek eenvoudigweg ‘notities’. Maar het is natuurlijk veel meer .

Pricks werkwijze is aanstekelijk. Je hoort hem spreken, je ziet hem vol jongensachtige geestdrift in Spelevaren de lijnen uitzetten van het ene boek naar het andere. Na lezing moet iedereen erkennen: boeken staan nooit op zichzelf, elk boek is met talloze andere verbonden. Elke schrijver was eerst een lezer. En Harry G.M. Prick is een excellente lezer met een onwaarschijnlijke hoeveelheid feitenkennis en een geheugen, dat reusachtig moet zijn geweest. Meesterlijk boek, dit Spelevaren.