Het Eftelingelement

Dertig gerenommeerde kunstenaars exposeren werk op de ‘Skulptur Projekte’ in Münster. De manifestatie laat een nijpend kunstdilemma zien: kunstenaars kunnen zich steeds moeilijker van elkaar onderscheiden.

Guillaume Bijl, Archaeological Site ( Sorry-installatie) foto Roman Mensing
Guillaume Bijl, Archaeological Site ( Sorry-installatie) foto Roman Mensing Mensing, Roman / artdoc.de

Het opvallendste werk op de Skulptur Projekte in Münster, deze zomer, is een installatie van Guillaume Bijl. Belg Bijl (1946) is al jaren bekend van grote werken waarbij hij en detail bekende taferelen uit het dagelijks leven nabouwt – een zoölogisch museum, een decor voor een televisiequiz, een veilinghuis. Nu, voor de Skulptur Projekte, liet hij in de Sentruper Hohe, een heuveltje in het park aan de Aasee, een kuil graven van meer dan zes meter diep. Om die kuil staat een hek. Je beklimt de verhoging, kijkt over de rand – en ziet vanaf de bodem de top van een kerktoren machteloos omhoog reiken, haantje, dak, een stukje muur. Het is een goeie grap: alsof deze kerktoren een restant is van een eeuwenoude cultuur die per ongeluk is opgegraven. Maar er is meer. Als je goed kijkt zie je dat op de bodem van de put, naast de toren, muntjes liggen. Die zijn niet van Bijl. De meest voor de hand liggende verklaring is dat toeschouwers ze er hebben ingegooid. Dat is het echte raadsel van deze installatie: welke associatie, welk idee drijft de toeschouwer ertoe om in de eerste de beste kuil in het landschap geld te gooien?

Het kan gewoon gezelligheid zijn, een toeristische pavlovreactie. Daar nodigt de Skulptur Projekte wel toe uit. Van alle grote kunstmanifestaties die deze zomer worden gehouden (de Biennale van Venetië, de Documenta in Kassel, de Art Basel), is ‘Münster’ zonder twijfel de gemoedelijkste. Dat komt in de eerste plaats door de stad zelf: die is overzichtelijk en ruim, er zijn bomen, er is een meer (de befaamde Aasee), er zijn terrassen en de mensen zijn aardig, zodat je bij een rondgang al snel wordt bekropen door een dagje-uit-gevoel. Dat wordt versterkt door de Projekte zelf. Die bestaat uit werken van dertig min of meer gerenommeerde kunstenaars als Bruce Nauman, Isa Genzken, Mark Wallinger, Jeremy Deller en Rosemarie Trockel. Met hun werken, die verspreid staan door Münster en zijn directe omgeving, reageren ze op de stad. Als toeschouwer op de fiets kun je ze net in een dag bekijken. Dat is het beeld: op de fiets door parken en oude steegjes, kaartje in de hand, op zoek naar kunstwerken. Je eet een Plundergebäck en drinkt een Weissbier op een terrasje. Het is ontspannen. Gezellig.

Maar daarmee is de

Skulptur Projekte niet vrijblijvend. Dat komt allereerst door de frequentie van de tentoonstelling: de Projekte wordt sinds 1977 eens in de tien jaar georganiseerd. Dat legt een zekere druk op de uitverkoren kunstenaars, ook al omdat de organisator Kaspar König is, directeur van het Museum Ludwig in Keulen en de beroemdste tentoonstellingsmaker van Duitsland. En dan er is nog iets: anders dan bij de meeste ‘buitenkunsttentoonstellingen’ blijven veel Projekte-beelden na afloop in de stad staan. Op de toeschouwer, die toch al moeite moet doen om alle werken van de nieuwste aflevering te zien, heeft dat een vreemd effect: je gaat de stad ervaren in ‘lagen’. Allereerst is er de huidige tentoonstelling met kunstwerken die je moet zoeken om ze te kunnen bekijken. Dan is er de stad van alledag, waar veel werken iets over zeggen of waar ze zich toe willen verhouden. En dan is er de derde laag met werken uit voorgaande Projekte-edities als Claes Oldenburgs betonnen ballen aan de Aasee, de antenne van Ilya Kabakov, de steiger met hut van Jorge Pardo of de zuil met twee blozend rode kersen van Thomas Schütte. Je merkt ze op, deze beelden, maar je negeert ze ook zo’n beetje, want ze passen niet in je programma. Zodat je rondfietst met een licht schuldgevoel.

Alleen: de kunstenaars op de Skulptur Projecte worstelen met eenzelfde probleem. Want ook voor hen geldt de vraag hoe ze zich in vredesnaam moeten verhouden tot deze ‘verkunste’ stad. Dat is ook meteen een interessant aspect aan deze aflevering van het project: door de inhoudelijke gelaagdheid die de Skulptur Projekte sinds 1977 in Münster heeft gevestigd, is de stad tegenwoordig een afspiegeling van een nijpend hedendaags kunstdilemma. Dat is al bijna een cliché: in deze wereld zijn zoveel beelden, invloeden en impulsen aanwezig dat het voor kunstenaars steeds moeilijker wordt zich van elkaar te onderscheiden. Ze vragen zich af wat ze moeten maken. Voor wie. Die vragen gelden in Münster misschien nog wel sterker dan daarbuiten: er is zoveel kunst, dat onderscheiden bijna onmogelijk wordt.

Daarmee zijn we terug

bij Bijl, met zijn opgegraven kerktoren. Maar ook bij Bruce Nauman, die een omgekeerde piramide van beton in de grond liet storten. Of bij Tue Greenford, die aan de Aasee een enorme giertank neerzette die als een fontein met water sproeit. Typische buitenkunstwerken, gemaakt door kunstenaars die de toeschouwer volgens de traditie willen verrassen of ontregelen. Want dat was altijd al het idee: dat kunstenaars zich onderscheiden van architecten, reclamemakers, en andere beeldenmakers doordat ze afwijken, doordat ze de ‘luis in de pels’ zijn. Ze willen het geloof in vaststaande mechanismen ondergraven en de toeschouwer met kritische vragen aan het twijfelen te brengen. Wat dat betreft is er sinds de eerste Skulptur Projekte niet veel veranderd. Maar toch ook wel. Op deze Projekte-aflevering zie je namelijk voor het eerst wat in andere delen van de kunstwereld al eerder duidelijk werd: dat kunstenaars die houding als een probleem zijn gaan ervaren. Doordat ze zichzelf steeds als buitenstaander bleven beschouwen, hun eigen wetten maakten, verloren ze langzamerhand het contact met hun publiek. Voor veel toeschouwers werd kunst een gesloten systeem dat ze niet begrepen. Het belang verdween. Verveling sloeg toe. En nu, op deze Skulptur Projekte, zie je dat er een duidelijke kentering heeft plaatsgevonden. Kunstenaars zijn zich in toenemende mate van dat buitenstaanderdilemma bewust. Ze willen de kloof weer overbruggen, maar weten niet goed hoe ze dat doen moeten zonder hun uitzonderingspositie op te geven.

De gevolgen daarvan zijn op deze Skulptur Projekte bijna aandoenlijk. De kunst is duidelijk veel publieksvriendelijker dan tien of twintig jaar geleden, maar je ziet ook de angst bij veel kunstenaars om niet serieus genomen te worden. Ze worstelen met de balans tussen vermaak en inhoud, tussen amusement en kritiek. Dat levert, opvallend genoeg, veel gelijkvormig werk op: het ziet er prettig uit, kleurig en lokkend, maar de volledige (kritische of sociale) bedoeling van de kunstenaar begrijp je vaak pas als je de bijbehorende tekst in gids in catalogus leest. Het zijn beelden met een Januskop. Metakunst met een Eftelingelement.

Van dat dilemma is Bijls installatie een goed voorbeeld. Zijn Archeological Site is grappig en prikkelend, maar het is vooral vermaak, je ziet het werk zo staan in een pretpark – vandaar die muntjes. Of neem Isa Genzken, de grande dame van de Duitse kunst, die voor haar installatie oude poppen in bizarre situaties op een kerkplein ensceneerde, op tuinstoeltjes en onder parasolletjes. Het ziet er vreemd uit, een tikje creepy ook, maar ook volkomen inhoudsloos. Zulke werk maakt vooral duidelijk dat een goede kunstenaar als Genzken zich niet van haar koers moet laten brengen: ze moet zich niet richten op vermaak of discussie of engagement, maar alleen maar op het werk zelf – als dat goed is, komt de rest vanzelf.

Dat besefte de Litouwse kunstenaar Deimantas Narkevicius beter. Hij bedacht het plan om de monumentale kop van Karl Marx die nog steeds in het Oost-Duitse Chemnitz te bewonderen is, voor de Skulptur Projekte naar Münster halen. Dat ging niet door, maar Narkevicius vond een alternatief: hij toont delen uit een communistische propagandafilm waarin de Russische beeldhouwer Lew Kerbel wordt gevolgd terwijl hij werkt aan de kop. Dat levert een onthutsende film op over heldenverering en verval – over kunst en effect gesproken.

Ook Mike Kelley weet de balans tussen vermaak en inhoud goed te vinden. De Amerikaan, normaal bekend als The king of gore (bloed en poep spatten meestal van zijn werk) bouwde in een hof bij het Centraal Station een ronde stal, waarin geiten, schapen, kippen en een vervaarlijk gehoornde koe gemoedelijk rondstruinen. In het midden staat een beeld van een slanke, gestileerde vrouwfiguur. Het lijkt van marmer, maar het blijkt van zout: een verbeelding van de vrouw van Lot, die tegen Gods wil omkeek nadat ze Sodom en Gomorra verliet en daarop in een zoutpilaar veranderde. Haar beeltenis fungeert hier als een intermediair tussen de ‘verdorven’ mens en het idyllische, ‘pure’ leven van het dier – met de aantekening dat het beeld gedurende de tentoonstelling door de beesten zal worden weggelikt om in hun zoutbehoefte te voorzien. Zo laat Kelley zien dat mens en dier ook maar moeilijk bij elkaar komen: wat ook komt door de koe, die als een koningin heerst over het terrein.

Ondanks zulke inhoudelijke, maar toch publieksvriendelijke installaties komt het intrigerendste werk op deze Skulptur Projekte van Pawel Althamer. Het idee van de Pool, die zichzelf (na onder andere het winnen van kunstprijs The Vincent) steeds duidelijker opwerpt als een van de belangrijkste kunstenaars van dit moment, lijkt simpel: hij creëerde een lang, smal (modder)pad dat begint aan de oever van de Aasee en doorloopt naar een onbekend eindpunt. Dat is op zich al een goed idee op deze Projekte, waar iedereen met kaartjes gewapend op kunstzoektocht gaat. Maar het werkt geweldig, doordat Althamer zijn pad niet markeert. Je moet zelf kijken, het zelf zien, zelf lopen. Dat maakt Sciezka (Pad) zonder twijfel tot het meest over het hoofd geziene werk van de Projekte, maar wie het vindt wordt beloond: Althamer leidt je naar plekken waar je normaal niet komt, met als (tijdelijk) hoogtepunt een uitgestrekt gerstveld met wuivende aren van waaruit je een prachtig uitzicht hebt op het dal, de bomen, de lucht. En nog loopt het pad verder. En verder – Althamer dwingt je je eigen grens te bepalen. Zo toont hij terloops op een simpele, maar doeltreffende manier de kracht van goede kunst: die onttrekt zich aan kaartjes, brengt je op plekken waar je normaal niet komt en toont verrassende vergezichten. En bewijst daarmee het belang van deze Skulptur Projekte.

T/m 30/9, Westfälisches Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte, Domplatz 10, Münster, Inl.: www.skulptur-projekte.de, tel.: 00.49.251.5907201