Een fagot om voor te zorgen

Vijfdegroepers van drie zwarte scholen uit de Amsterdamse Bijlmer vormen sinds januari een symfonieorkest. Initiatiefnemer Marco de Souza: „Het hoeven geen professionals te worden. Het is gewoon een kwestie van opvoeding.”

Muziekcentrum Zuidoost ligt verscholen achter een parkeerplaats in de Amsterdamse Bijlmer. Al zeven jaar is de in Brazilië geboren Marco de Souza er directeur. Hij is gewend aan de onwennige blikken van Amsterdammers van buiten Zuidoost, die nooit eerder een voet zetten in dit deel van de Bijlmer. „Schaam je niet – omgekeerd komen veel Bijlmerbewoners weer zelden of nooit in de stad.”

Toen De Souza – opgeleid als viola da gambaspeler maar „altijd al bezig met dingen regelen” – als directeur aantrad bediende de school niet zozeer de hele buurt als wel de schaarse ‘rijkere’ en/of toch al cultureel georiënteerde gezinnen. „De gemeente vroeg me daar iets aan te doen”, zegt hij. „De Bijlmer voelt als mijn natuurlijke biotoop. Net als in Brazilië is er geen traditie in balletles of algemene muzikale vorming. Ik heb vanaf mijn veertiende lesgegeven aan sloppenwijkkinderen om mijn muziekstudie te bekostigen. Nu kan ik het anderen wat makkelijker maken.”

De Souza wijdt graag uit over zijn projecten; boven zijn bureau licht als bij toverslag een beamer op. „Wie fondsen werft, moet creatief zijn”, glimlacht hij verontschuldigend. Een dvd toont beelden van klassieke concerten op basisscholen in de Bijlmer. Toen De Souza dat idee voor het eerst opperde, waren de reacties gereserveerd, vooral van de scholen zelf. Kinderen zouden er ‘niks aan vinden’. „Maar tot groep acht zijn kinderen te jong en te onbevooroordeeld om welke muziek dan ook stom te vinden”, denkt De Souza. „Ze raken gemakkelijk in de ban van instrumenten en wat je er allemaal mee kunt. We hebben zelfs de liederen voor alt, altviool en piano van Johannes Brahms uitgevoerd. Zware kost, maar ze luisterden gebiologeerd."

Wie klassieke muziek propageert in de Bijlmer, wekt vanzelf discussies op over meer dan muziek alleen. Termen als integratie en cultuurimperialisme vallen vanzelf. „Waar ik stuit op ongemakkelijkheid, heeft dat volgens mij vooral te maken met een doorgeschoten kolonialistisch schuldgevoel”, wijst De Souza af. „Is er iets mis met de westerse cultuur? Onze tonale muziek heeft zijn basis in het natuurlijke boventonensysteem. Westerse muziek voelt daardoor als heel natuurlijk. Ik zeg niet dat andere soorten muziek niet goed zouden zijn. Maar als je ervan overtuigd bent dat deze kunstvorm waardevol is, wil je dat ook delen.” Daar komt het integratievraagstuk bij, erkent hij. „Maar als allochtoon heb ik zelf ervaren dat je je pas welkom voelt als je dezelfde kansen krijgt als autochtonen. Iedereen wil zich thuis voelen in zijn eigen stad, de samenleving waar hij deel van uitmaakt. Muziekeducatie kan daaraan een steentje bijdragen.”

Oecumenische basisschool

‘De Schalmei’ – een prototypische ‘zwarte’ school – ligt pal achter winkelcentrum Reigersbos. Voor een opvoering van Pergolesi’s opera La serva padrona is de bovenbouw in de aula samengekomen; de ‘kleintjes’ voor op bankjes, achtstegroepers achterin op hun schoolstoelen. De Souza spreekt hen toe. „In opera gebeurt van alles. Maar anders dan een tv, kun je opera niet harder zetten. Daarom is het de gewoonte niet te praten als er wordt gezongen. Lachen mag wel, maar het is ook heel deftig. Dus niet steeds ‘sjjjt’ roepen.” Er is alles aan gedaan om de kinderen bij de les te houden. Het zevenkoppige kamerstrijkje speelt enthousiasmerend, het klavecimbel parelt. Effectief is vooral een groot videoscherm, waarop de handeling van de opera in telegramstijl is samengevat: ‘Dienstmeisje wordt bazin!’ Een schip meert aan en zie: daar komt een man aan wal. Zijn lange onderbroek veroorzaakt het eerste schatersalvo. Als het welgevormde dienstmeisje Zhafira uit haar huisje van bordkarton kruipt, schuift een fors uitgevallen achtstegroeper met schaamteloze gretigheid naar voren. De jongen achter hem trommelt de ritmes van de aria’s mee op de vrijgekomen stoel. Niemand lacht om de ‘klassieke’ manier waarop wordt gezongen. Sterker: na een virtuoze aria volgt als vanzelf een open doekje. Tijdens het slotensemble zingt de zaal uit volle borst mee: „Tipitie, tapataa!” „Dat vond ik het allerleukste”, zegt een jongetje trots. „We hadden het vooraf geoefend.”

De Souza’s plannen zijn ambitieus. De concerten en schoolconcerten, waarmee hij jaarlijks zo’n tweeduizend kinderen bereikt, zijn maar een klein deel van het verhaal. Natuurlijk is er daarnaast het gewone muziekschoolaanbod voor kinderen en volwassenen, maar basisscholen in de Bijlmer kunnen ook intekenen op een van de leerprojecten voor in de klas. Coördinator basisschool en leerorkest Martje Diemer: „Maar dat zijn en blijven losse projecten. Kinderen waarderen die concerten en projecten, maar zien we ze vervolgens terug op de muziekschool? We wilden meer continuïteit bieden.”

De gedachte van zelf muziek maken en meer continuïteit zijn dus de pijlers onder het ‘leerorkest’ dat in januari van start is gegaan. Leerlingen van de vijfde groep van basisscholen de Bijlmermontessori, de Santenkraam en het Kruispunt leren nu een instrument bespelen zoals je taal leert, of rekenen. Gewoon onder lestijd, in kleine groepjes, en volgens planning voor vier schooljaren achtereen. „Bij veel ouders uit de Bijlmer bestaat geen traditie de kinderen te stimuleren bij het thuis studeren. Nu leren de kinderen muziek op school en onder elkaar, opdat meteen duidelijk is wat de lol is van samenspel”, legt De Souza uit. Na één jaar les mogen de kinderen hun instrument, dat ze zelf hebben mogen kiezen, ook mee naar huis nemen om erop te studeren. „Wanneer je als tienjarige een fagot van drieduizend euro onder je hoede krijgt, weet je: ze nemen me serieus.” Jaarlijks komt er een nieuw ‘cluster’ van 85 musicerende kinderen ofwel één symfonieorkest bij, is de bedoeling. De Stichting Leerorkest heeft nu instrumentengeld voor drie orkesten à dertigduizend euro per symfonisch instrumentarium. Een groter probleem is het vinden van geld voor docenten, en – primair – het vinden van die docenten. „Vooral voor deze eerste lichting in de Bijlmer was dat een groot probleem”, zegt De Souza. „Instrumentale lessen geven aan groepen kinderen vraagt andere vaardigheden dan de traditionele één-op-één-lespraktijk. We proberen, in samenwerking met het conservatorium van Amsterdam, docenten te coachen en bijscholing te bieden. Maar er zijn veel vooroordelen. Wie goed is, wordt uitvoerend musicus – geen docent. En zeker niet op een basisschool. We zijn niet gewend aan de gedachte dat investeren in de basis net zo belangrijk en waardevol is.”

Het idee voor een ‘leerorkest’ op school is niet nieuw. Marco de Souza en Muziekcentrum Zuidoost lieten zich inspireren door de Amerikaanse vioolpedagoge Roberta Guaspari, die halverwege de jaren tachtig in de zwarte New Yorkse wijk East Harlem begon met vioollessen voor schoolkinderen. Haar project – nog steeds bloeiend (www.opus118.org) en verfilmd in de voor een Oscar genomineerde documentaire Small Wonders (1996) en de aanstekelijk zoete speelfilm Music from the Heart (1999) met Meryl Streep – leerde de kinderen de lol van muziek. Met de vele uren studie die het leren beheersen van een instrument eist, onderwees ze ook meer: zelfdiscipline, eigenwaarde. „Via het kind komen deugden als muziek, respect en waardering het gezin binnen”, vindt ook De Souza. „Natuurlijk weet ik niet wat deze kinderen over vier jaar hebben bereikt. Ik hoop dat sommigen doorgaan als amateurmusici, ik hoop dat we een vervolgorkest kunnen bieden, en dat de getalenteerden doorstromen naar de muziekschool – bij voorbeeld met hulp van een beurs. Maar al stoppen ze, dan nog hebben ze geleerd te luisteren en muziek te waarderen. Het hoeven geen professionals te worden, het is gewoon een kwestie van opvoeding.”

Voorlopig zijn de kinderen

net begonnen met hun instrument, blijkt donderdags op de gescheiden groepslessen. De hoboklas studeert op één zuivere c. „Je moet het riet iets verder in je mond nemen”, zegt docente Camille Geiser. Leerlinge: „Au!” Haar buurjongen, troostend: „Les één: hoe je instrument te vernietigen. Boem.” In het lokaal verderop strijken de cellisten geduldig losse snaren aan, op de Santenkraam, aan de overzijde van het schoolplein, leren de klarinetten en fagotten hoe je een reeks nootjes op één adem kunt blazen. Vioolleraar Nico Strubbe gaat minder individueel te werk, maar zijn groep violistjes (kosten per instrument: 69 euro all in) is ook groter. Strubbes ouderwets klassikale aanpak leidt wel meteen tot meer resultaat; als in een déjà vu uit de jaren vijftig dreunen de kinderen in koor de notennamen op van het liedje ‘T is van de wind dat de molen draait. Elke maand wordt bekeken wat de vorderingen zijn, daarop worden de arrangementen van het leerorkest dan gebaseerd.

In hun eigen instrumentgroep hebben de kinderen wekelijks les. Een paar keer per jaar komen ze bij elkaar om een tachtigkoppig symfonieorkest te vormen dat alle instrumenten telt – behalve een harp. Maar fagotten, contrabassen, altviolen of hoorns – ze zijn allemaal vertegenwoordigd en spelen op donderdag 5 juli samen met musici van het Nederlands Philharmonisch Orkest op een afsluitend presentatieconcert in de Amsterdamse Beurs van Berlage. Dit concert is mede bedoeld om sponsors te werven en méér kinderen met muziek in aanraking te brengen.

Alleen al in de Bijlmer is het leerorkest zo succesvol dat zevenhonderd kinderen wachten op deelname aan het project. Scholen in Amsterdam-Oost en -West zijn ook geïnteresseerd; de hoop is dat daar in december een eigen pilotproject kan beginnen.

Op papier sluiten De Souza’s idealen fraai aan bij de hoofdlijnen van het cultuurbeleid van minister Plasterk, met als motto ‘een hoge top, een brede basis’. En al evenzeer bij de Hoofdlijnennotitie kunst en cultuur van de Amsterdamse cultuurwethouder Carolien Gehrels. Kinderen worden door goed voorbeeld gestimuleerd, hun ‘cultuurloopbaan’ krijgt een vliegende start en de kruisbestuiving tussen multiculturele leerlingen en westerse muziek zou kunnen leiden tot vergroot wederzijds begrip en contact. Maar in de praktijk is de Stichting Leerorkest vooralsnog geheel afhankelijk van fondsen en sponsors. Het stadsdeel Amsterdam Zuidoost draagt er niet aan bij. De Souza: „Het budget van het stadsdeel is klein en extern fondsen werven voor klassiek in de Bijlmer überhaupt nogal lastig. Ik zou zo geld kunnen krijgen voor een steeldrumband, want dat ‘past’ in de Bijlmer. Maar violen – dat vindt men raar.”

Toch is er hoop.

Cultuurwethouder Gehrels komt naar het presentatieconcert. „Ontzettend goed dat Amsterdamse kinderen op deze manier zelf met muziek maken in aanraking komen”, vindt ze. „Muziekonderwijs is, als aanvulling op het cognitieve proces op school, een complexe en belangrijke manier van leren. Door samen te spelen leer je naar elkaar te luisteren. Daar heb je de rest van je leven profijt van – ook buiten de muziek.” In 1930 telde Amsterdam nog 25 muziekscholen, nu zijn het er nog maar vijf, zegt Gehrels. „Een initiatief als dit pakt de buurtfunctie van toen op. Kinderen moeten hun talent kunnen ontwikkelen en wel op een professioneel begeleide manier. Op deze manier kunnen we ook die kinderen het mooiste en beste van de stad tonen en komen ze ook eens in een cultuurtempel als de Beurs van Berlage. Amsterdam is een echte muziekstad; dat merken zij nu óók.”

Subsidieaanvragen voor de periode 2009-2012 kunnen bij de gemeente Amsterdam tot 1 oktober worden ingediend. Marco de Souza en de stichting Leerorkest werken er hard aan, zegt hij. Het leerorkest bereidt zich intussen voor op het concert van volgende week. De arrangementen zijn, vijf maanden nadat de kinderen op hun instrument van start zijn gegaan, nog zeer simpel. Wat losse snaren, wat lange noten. Maar het gaat om de intentie, vinden de leraren en organisatoren. „Muziek is net zo vormend als taal”, benadrukt coördinator Martje Diemer. „Niet iedereen wordt schrijver, maar we leren wel allemaal schrijven. Je moet het niet romantiseren – het hoeven echt niet allemaal Wibi’s te worden. Een generatie nieuwe luisteraars is ook al heel mooi.”

Presentatieconcert leerorkest: 5 juli, Beurs van Berlage Amsterdam. Inl.: www.leerorkest.nl