Ook na terugkeer nog altijd op zoek naar rugdekking

Anke Dorpmans (24)

was korporaal eerste klasse bij de geneeskundige dienst, werkt nu bij het LUMC als verpleegkundige in opleiding.

„Ik ben gelijk vanaf de mavo in 2000 bij Defensie gegaan. Die beslissing was in een seconde genomen, eigenlijk nooit echt over na gedacht. De ochtend dat ik mijn diploma ging ophalen dacht ik nog een opleiding sociaal-pedagogisch werk te gaan doen, ’s avonds wist ik zeker dat ik het leger in zou gaan. Vijf maanden later zat ik in dienst. Ik was zeventien.

Bosnië was goed te doen, dat was in mijn tijd echt een vredesmissie. Bij Irak hadden mijn ouders twijfels, ze vonden het er gevaarlijk. Dat hoorde ik pas achteraf. Op dat moment dacht ik daar niet bij na. Dat komt door de onbezonnenheid van die leeftijd.

Nu ben ik 24, en kijk ik daar heel anders tegen aan. Door de doden in bijvoorbeeld Uruzgan word je nu met de neus op feiten gedrukt: het is levensgevaarlijk.

Na terugkomst uit Irak viel ik een soort van gat. Wat moet ik nou gaan doen met mijn leven?

Mijn moeder zag gelijk dat het mis was met mij toen ik terugkwam. Het was de doffe blik in mijn ogen. Vrienden en familie waren verheugd me te zien en vierden feest. Ik was er wel, maar zat eigenlijk nog in Irak.

Uitgaan ging niet meer. Ik zat nog in de Irak-modus: continu alert zijn op je omgeving, of jij en je eenheid wel veilig zijn. Ik lette voortdurend op anderen. In Nederland was die alertheid weliswaar niet meer nodig, maar het omzetten van die schakelaar is zo ontzettend moeilijk. Zelfs na twee jaar kijk ik nog steeds de hele tijd om mij heen. Als ik ergens binnenkom ga ik automatisch in de hoek staan. Dan weet ik dat ik geen rugdekking nodig heb. Ik kijk ook waar ik heen kan als ik zou moeten vluchten. Waar is de uitgang?

Ik durfde drie maanden lang na mijn terugkomst mijn huis niet uit. Nog steeds schrik ik als ik een knal hoor op straat. Paniek. Ik heb bijna twee jaar bij een Defensie-psycholoog gelopen om mijn problemen te bepraten. Defensie heeft alles betaald, dat vind ik netjes.

Achteraf bezien ben je als 17- of 18-jarige veel te jong om te beslissen om het leger in te gaan. Op die leeftijd kun je simpelweg niet overzien wat je allemaal kan overkomen en wat je er aan overhoudt. Het kan je leven tekenen.

De buitenwereld snapt het niet altijd. ‘Het is toch je werk’, zeggen ze dan. Dat is natuurlijk onzin. Ik heb gelukkig het idee dat de laatste jaren de acceptatie voor veteranen groeit. Er wordt anders tegen ons aangekeken. Ik ben harder geworden na mijn tijd in het leger. Dat is soms moeilijker te accepteren. Ik ging vroeger uit van het goede van de mens, maar na ‘Irak’ denk ik daar anders over.”