Laten zien dat de Duitsers na de Romeinen komen

Wim van der Weiden is een van de grondleggers van het Nationaal Historisch Museum. „Het museum moet laag-drempelig zijn en bij voorkeur niet in Amsterdam komen.”

Frans Hals en Pieter Codde: 'De magere compagnie', 1637. Het doek is nu te zien in de National Gallery in Londen, bij de tentoonstelling 'Dutch Portraits: The Age of Rembrandt and Frans Hals', die dit najaar naar Nederland komt. (Foto Rijksmuseum)
Frans Hals en Pieter Codde: 'De magere compagnie', 1637. Het doek is nu te zien in de National Gallery in Londen, bij de tentoonstelling 'Dutch Portraits: The Age of Rembrandt and Frans Hals', die dit najaar naar Nederland komt. (Foto Rijksmuseum)

Wim van der Weiden schreef voor het ministerie van OCW het eerste plan voor het Nationaal Historisch Museum. Dat was naar aanleiding van de motie van Marijnissen en Verhagen. Van der Weiden is oud-directeur van Naturalis, het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden en Museon in Den Haag en voorzitter van het European Museum Forum. Wat vindt hij van het feit dat minister Plasterk (OCW, PvdA) zich in zijn keuze voor de locatie beperkt tot drie steden?

„Dat heeft het hele proces verstoord. Je moet geen voorselectie houden. Plasterk heeft vrij willekeurig gekozen. Waarom niet Utrecht of een groeistad als Almere?

„Mijn voorkeur gaat uit naar Den Haag. Dat is de plek waar belangrijke beslissingen over de vorming van onze natie zijn genomen. Ten tweede was Den Haag, in de oorspronkelijke plannen van Loek Hermans (van 1998 tot 2002 minister van OCW), de stad waar het om draaide. Met zijn voorstel voor een ‘Boulevard van het Actuele Verleden’ wilde hij met een groots opgezet instituut in Den Haag, vanuit de actualiteit tonen hoe Nederland zich heeft ontwikkeld. De grondgedachte was om Nederlanders meer historisch besef bij te brengen. Dan hoeft zo’n museum dus niet op het Museumplein in Amsterdam waar voornamelijk buitenlanders komen.

„In mijn voorstel heb ik ook geschreven dat het belangrijk is dat het NHM een laagdrempelig karakter heeft om die 60 procent van de bevolking die nooit een museum bezoekt, ook te laten komen. Het moet niet een soort Efteling worden, maar zou misschien wel in of bij de Efteling gesitueerd moeten worden.

„Het is belangrijk om de geschiedenis eigentijds en multimediaal te presenteren. Mensen moet zich namelijk eerst vergapen en verwonderen. Dan zijn ze bereid om ergens dieper in te duiken.”