De missie van Blair

In zijn laatste toespraak als partijleider op het congres van Labour noemde hij het een belangrijke missie voor de slotfase van zijn premierschap. Tony Blair zei op 25 september 2006 in Manchester: „Ik zal me met dezelfde betrokkenheid als bij Noord-Ierland wijden aan het bevorderen van vrede tussen Israël en de Palestijnen. Misschien heb ik geen succes. Maar ik zal het proberen, omdat vrede in het Midden-Oosten een nederlaag voor het terrorisme betekent.”

Nu hij namens het ‘kwartet’ – Verenigde Naties, Verenigde Staten, Europese Unie en Rusland – is benoemd tot speciale gezant voor het Midden-Oosten, kan Blair alsnog proberen zijn door zijn Irak-politiek besmeurde blazoen te reinigen. Want in de periode als Brits premier, die hij gisteren afsloot, is zijn vrees uitgekomen: het is hem totaal níét gelukt om het Israëlisch-Palestijnse vraagstuk dichter bij een oplossing te brengen. Ondanks een zesdaagse missie in het Midden-Oosten in december 2006 en een reeks andere visites. En niet alleen zijn Irak-beleid, ook zijn houding in de Tweede Libanonoorlog, toen hij weigerde Israël te veroordelen, heeft Blair in Arabische en Palestijnse ogen verdacht gemaakt.

Maakt dat Blair op voorhand ongeschikt voor zijn nieuwe baan? Dat zou een voorbarige conclusie zijn. Zijn diplomatieke capaciteiten, zijn gedrevenheid, zijn gevoel voor urgentie en timing, zijn vermogen om de onverzoenlijken te verzoenen – zie Noord-Ierland – zijn kwaliteiten die tellen. Bovenal: hij is geen Amerikaan, zoals zijn voorganger James Wolfensohn die in april vorig jaar de functie van speciaal gezant gefrustreerd neerlegde, en dus op voorhand minder ‘verdacht’ in Arabische ogen.

Blair zal zijn diplomatieke gaven nodig hebben. Niet alleen omdat er behalve een Israëlisch-Palestijns probleem ook een dramatisch geëscaleerde Palestijns-Palestijnse kwestie bestaat. Maar ook omdat hij, de trouwe bondgenoot, bij uitstek degene is die de Amerikaanse president Bush duidelijk kan maken dat de onvoorwaardelijke steun die de Verenigde Staten aan Israël bieden, uiteindelijk averechts werkt.

Slechts weinig Amerikanen van gezag, uitzonderingen als James Baker en Jimmy Carter daargelaten, zien in dat er voor Israël geen uitzicht op vrede is als er geen duurzame oplossing komt voor het Palestijnse vraagstuk. Israël zal letterlijk en figuurlijk ruimte moeten maken voor de Palestijnen, maar zolang het met de volle instemming van Washington zijn politiek mag voortzetten om de Palestijnen te marginaliseren, zal het daar niet van komen.

Bush’s poodle is Blair wel genoemd om voor de hand liggende redenen. Hij zal hard moeten blaffen om de Amerikaanse regering te overtuigen. Hij kan dat proberen door consequent de opvatting uit te dragen die hij er al jaren op nahoudt: zolang er geen oplossing is voor de kwestie-Israël/Palestina, die onder meer bestaat uit een levensvatbare Palestijnse staat, zal er geen vrede zijn in het Midden-Oosten en zal de regio een kweekvijver voor terroristen blijven.