‘Ze maken ’n Kurt Cobain van me’

Jay Reatards oude groep Lost Sounds was de zwarte parel van de garagescene van Memphis. Reatard ging solo en is 1 juli met zijn band te zien op festival Metropolis in Rotterdam.

Na een optreden in de Kroatische hoofdstad Zagreb werd de gitaar van Jay Reatard vernield. „De dader schepte daarover op op mijn MySpacepagina. Hij was gekwetst in zijn trots, hij vond mijn show te gewelddadig en niet getuigen van respect. Nu overdreef hij sterk, ik gooide misschien één bierfles, ik gedroeg me lang zo erg niet als een jaar of tien geleden. Hoe dan ook, ik schreef die jongen terug dat ik die avond in Zagreb genoeg verdiende om wel twee gitaren te kopen.”

Tien jaar geleden speelde Jay Reatard in punkband The Reatards. Hij was berucht om zijn confronterende gedrag op en voor het podium, waarbij gebroken bierflessen een niet onbelangrijke rol speelden. „Natuurlijk was ik de helft van de tijd dronken”, zegt Reatard. „Maar ik wilde ook de grens tussen het publiek en de artiest neerhalen. Ik vond het nogal gemakkelijk om een kaartje te kopen en je te vergapen aan een idioot als ik, met mijn gewelddadige reputatie. Dus ging ik de toeschouwers te lijf, dan kregen waarvoor ze gekomen waren.”

Reatard is nu, op zijn 27ste, enigszins gekalmeerd. Maar op de hoes van zijn solodebuut Blood Visions poseert hij badend in het bloed. Alsof hij zojuist een gewelddadig soort wedergeboorte onderging. „Dat was het idee”, zegt Reatard. „Plus dat ik na zes jaar in Lost Sounds iedereen in en om die band graag had willen afmaken. Het valt niet mee om weken in een busje opgesloten te zitten met je ex.”

Lost Sounds is de band die Jay Reatard (eigenlijk Jay Lindsey) vormde met zijn vriendin, later ex, Alicja Trout. Het was de zwarte parel van de garagescene van Memphis, een groep die donkere, furieuze, versplinterde liedjes maakte waarin de aloude garagerock-waarden opmerkelijk gezelschap kregen van Wire-achtige artpunk, newwave en jankende synthesizers. „Ik wou eigenlijk zo’n Farfisa-orgel net als die jarenzestig-garagegroepen. Maar Alicja had een paar oude synthesizers staan, dus hebben we die maar gebruikt. Er kwam niet zoveel conceptueel denkwerk aan te pas.”

Na Lost Sounds had Reatard het even gehad met groepsdynamiek. Op Blood Visions bespeelde hij alle instrumenten zelf. „Ik wilde nu eens een plaat maken zonder rekening te houden met wie dan ook.” Het resultaat is een plaat waarop die bloedmetafoor op nog een andere manier opspeelt: het is alsof Reatard al het overbodige ruw heeft weggesneden, met een reeks explosieve, uitgebeende en ultrakorte liedjes als resultaat. „Ik vind dat-ie heel anders klinkt dan mijn werk met Lost Sounds, al komt ’t natuurlijk uit dezelfde bron. Dit is echt mijn gitaar-plaat, als je denkt dat je ergens een synthesizerlijntje hoort, dan is het een effect.”

Niet dat hij nu allergisch is geworden voor de synthesizer, want hij drijft nog altijd het elektronische nevenproject Terror Visions. Daarnaast is hij erg actief in de garagescene van Memphis. Tot voor kort zat hij in zeven bands, inclusief een metalgroep. En als producer, technicus of gastmuzikant bemoeit hij zich gretig met de rest. „Je kunt wel stellen dat ik een samenbindende factor in die scene ben”, zegt hij. „Als ik een leuke band signaleer, wil ik die graag helpen. Maar je moet je niet al te veel voorstellen van de scene in Memphis. Je hebt de oudjes, die al jaren dezelfde muziek maken en je hebt de mensen die cool zijn. Maar dat zijn er niet meer dan een stuk of tien, die, net als ik, opduiken in allerlei verschillende bands.”

Reatards platen verschijnen op het onafhankelijke label In The Red, maar er wordt druk geflirt door enkele grote maatschappijen. „Ze draaien er niet omheen dat ze de nieuwe Kurt Cobain van me willen maken. Mooi is dat, ze willen me veranderen in een rockster die zelfmoord pleegde toen hij even oud was als ik nu! We zullen zien wat daarvan komt. Al moet er iets chronisch mis zijn met de platenindustrie, als ze al met mensen als ik willen praten.”

Jay Reatard: Blood Visions (distr. Konkurrent). Optreden: 1/7, Metropolis