Recht praten

Enige tijd geleden besteedde ik aandacht aan een onderzoek dat uitwees dat voor bepaalde examenonderdelen het niveau zo zeer is gezakt dat de eisen voor de havo inmiddels gelijk zijn aan die voor de mavo tien jaar geleden. Je zou verwachten dat de verantwoordelijke bewindslieden onmiddellijk maatregelen zouden toezeggen om daar iets aan te doen, maar een Sarkozy hebben wij hier niet. Er is inmiddels nog meer reden om bezorgd te zijn over het niveau van het onderwijs: de cijfers die leraren geven voor de schoolonderzoeken liggen steeds hoger in vergelijking met die voor het centraal examen.

Dat het cijfer dat een leerling behaalt voor het schoolonderzoek afwijkt van dat voor het centraal examen, is overigens heel gewoon. Zo heb je bijvoorbeeld bij het vak Nederlands leerlingen die moeite hebben met schrijven en samenvatten. De meest efficiënte manier om deze handicap te compenseren is goede cijfers halen voor literatuur. Dus zorgen deze leerlingen voor een interessante lijst van gelezen boeken en doen ze extra hun best voor literatuurgeschiedenis.

Dat je het een met iets anders compenseert geldt voor meer vakken. Wonderlijk is dus niet dat er verschillen zijn, maar wonderlijk is wel dat de cijfers voor het een gemiddeld hoger liggen dan voor het ander. Dat duidt op een verschil in moeilijkheidsgraad.

Nu las ik in het bericht hierover in deze krant als verklaring dat de schoolexamens beter aansluiten bij het onderwijs, maar dat is natuurlijk onzin. Ik kan u verzekeren dat leraren niets liever willen dan goede resultaten bij de centrale examens. Daarom streven ze ernaar hun lessen zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de centrale examens. Als de cijfers voor de schoolexamens gemiddeld hoger liggen, betekent dat dus gewoon dat ze gemakkelijker zijn. Het feit dat de verschillen in moeilijkheidsgraad tussen beide onderdelen de laatste jaren toeneemt, betekent dat steeds meer scholen wat dit betreft de schaamte voorbij zijn.

Het meest alarmerende van de berichtgeving over dit onderwerp vind ik dat die afkomstig is van Jaap Dronkers. Niet dat er iets mis is met de kwaliteit van deze bron, maar het bewijst dat er een en ander mis is met andere bronnen.

Cito, inspectie of ministerie zien vanuit hun professie deze cijfers elk jaar langskomen. Zij zijn nooit te beroerd de publiciteit te zoeken als hun dat uitkomt. Blijkbaar vinden deze instanties deze ontwikkeling niet ernstig genoeg om er publieke aandacht voor te vragen, en is het wachten dus op een individuele onderzoeker als Dronkers.

Maar wat zeur ik nou? In wezen, zo kon u in het zelfde krantenbericht lezen, is er helemaal niets aan de hand. Voor het verspreiden van dit soort geruststellende geluiden heeft elke sector van het Nederlandse onderwijs inmiddels zijn eigen professionele lobbyorganisatie. Vreemd genoeg raadplegen kranten en andere media altijd heel braaf deze lobbyisten van de VO-, MBO-, of HBO-raad of VSNU met de vraag of het bericht dat er iets mis zou zijn bij de instellingen die zij vertegenwoordigen, klopt. Het zal u niet verbazen: het antwoord luidt altijd “nee”.

Dat geldt ook voor de reactie van de voorzitter van de VO-Raad Sjoerd Slagter op de bevindingen van Dronkers: “Het schoolexamen is juist bedoeld om praktische vaardigheden te toetsen, dat gebeurt niet op het centrale examen. Dus is het logisch dat er verschillen zijn.”

Maar, beste Sjoerd, het probleem is niet dat er verschillen zijn, maar … och, ik hoef het jou toch niet uit te leggen. Jouw rol is immers niets anders dan recht te praten wat krom is.

lgm.prick@worldonline.nl