Nederland in Uruzgan: de voorspelde druk is er

De inzet van NAVO-troepen in Afghanistan was en is: het land veiliger en stabieler maken en bijdragen aan wederopbouw. Bestrijding van een terreurorganisatie met abjecte denkbeelden als de Talibaan is bovendien ook een westers belang, zoals de strijd tegen het internationale terrorisme dat in het algemeen is. Nu de Nederlandse missie in de zuidelijke provincie Uruzgan als gevolg van zware tegenstand van de Talibaan onder druk staat en het aantal militaire slachtoffers inmiddels is opgelopen tot zeven is het goed eraan te herinneren waar het ook al weer primair om ging. De naam van de missie, International Security Assistance Force (ISAF), bergt dat in zich: veiligheid. De centrale vraag blijft: dienen de gebruikte middelen het onomstreden doel?

Het besef dat de NAVO en meer in het bijzonder de bondgenoten die in het zuiden van Afghanistan opereren, risico’s liepen, was van meet af aan aanwezig. De toenmalige ministers Bot (Buitenlandse Zaken, CDA), Kamp (Defensie, CDA) en Van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking, CDA) noemden in hun brief aan de Tweede Kamer, die aan het besluit tot uitzending van Nederlandse militairen naar Uruzgan voorafging, de risico’s van deze missie „aanzienlijk”. Zij voorspelden dat de Nederlandse troepen te maken zouden krijgen met gewapende tegenstand. „Rekening moet worden gehouden met aanvallen, zowel op patrouilles als op de logistieke aanvoer door de lucht en over de weg, en op de bases van de ISAF-eenheden. [...] Niet kan worden uitgesloten dat bij gevechtshandelingen aan Nederlandse zijde slachtoffers vallen”, schreven zij op 22 december 2005. Het was, zo valt nu te constateren, een adequate prognose. De Tweede Kamer wist waaraan zij begon.

Bij de NAVO-missie in Afghanistan vielen, hoewel zij was gemandateerd door de Verenigde Naties, een niet onbelangrijk verschil met bijvoorbeeld Irak, vanaf het begin vraagtekens te plaatsen. De militaire aanwezigheid in Afghanistan van in het bijzonder de Verenigde Staten, maar ook van andere landen (zoals Nederland) sinds 2001, had wel incidenteel succes gebracht, maar bleek uiteindelijk geen genadeklap voor de Talibaan. De Russen waren eerder al evenmin in staat om hun orde te handhaven in het door tribale twisten verscheurde en gedeeltelijk door drugshandelaren gedomineerde land. Waarom zou het nu wel lukken?

In Afghanistan woedt een oorlog tussen de NAVO en de Talibaan. Vele Afghaanse burgers zijn daarvan het slachtoffer. Duidelijk is ook dat de Nederlanders zich er in toenemende mate met puur militaire zaken moeten bezighouden. Al hoort de huidige minister van Defensie, Van Middelkoop (ChristenUnie), het liever niet: er lijkt eerder sprake te zijn van een vechtmissie dan van wederopbouw. De ‘inktvlekstrategie’ van Nederland – veilige gebieden steeds een stukje groter maken – stuit op een tegenstander die over een verwoestende waskracht blijkt te beschikken.

Het kabinet heeft eind 2005 benadrukt dat het enige tijd zou duren voordat er aansprekende resultaten te zien zouden zijn. Nederland is pas bijna halverwege zijn missie. Het is daarom begrijpelijk dat Van Middelkoop vandaag in een vraaggesprek met deze krant (zie pagina 37) om geduld vraagt. Maar al te veel tijd voor bezinning hebben kabinet en parlement niet. Nog deze zomer moet er een besluit vallen of de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan, die voor twee jaar was afgesproken, moet worden verlengd. Het simpele antwoord zou zijn: Nederland heeft aan zijn verplichtingen voldaan en het is nu, zoals afgesproken, aan de NAVO om in opvolging te voorzien. Bovendien zit Nederland elders niet stil. Juist gisteren nog heeft het kabinet besloten militaire missies in Bosnië Herzegovina, Libanon en Irak te verlengen.

Meer principieel is de bredere vraag aan de orde of de gekozen strategieën van de NAVO de juiste zijn. De NAVO kan zich niet veroorloven de strijd te verliezen, maar kan zij die wel winnen? De effectiviteit van de operaties is aan de orde. Is er uitzicht op een veiliger Afghanistan of roept de NAVO juist meer geweld op dan zij weet te voorkomen? Het wordt een moeilijke afweging, die alleen te maken is als het kabinet de Tweede Kamer adequaat en zo volledig mogelijk informeert – royaler dan tot nu toe is gebeurd.