Milieuvluchtelingen bestaan wel/niet

Het ene rapport schat het aantal toekomstige milieuvluchtelingen op tweehonderd miljoen, het andere op een miljard. Maar worden het er wel zo veel? Volgens sommigen zijn de berekeningen van milieudeskundigen ‘waanzin’. „Weet u hoe die cijfers tot stand komen?”

Bewoner van New Orleans waadt door het water na de overstroming als gevolg van de orkaan Katrina, 30 augustus 2005 Foto AP ** FOR USE AS DESIRED WITH YEAR END--FILE **A New Orleans resident walks through floodwaters coated with a fine layer of oil in the flooded downtown area, in this Aug. 30, 2005, file photo. Hurricane Katrina pounded the area when it made landfall. (AP Photo/Bill Haber/FILE) Associated Press

‘Mijn grootvader zegt dat zíjn grootvader zich deze stad nog kon herinneren uit de tijd dat de daken boven het water uitstaken.’ Dit zeggen de mensen tegen elkaar in The story of general Dann and Mara’s daughter Griot and the snow dog van Doris Lessing, een van de naargeestigste romans van de afgelopen jaren. In dit boek is het in het noorden gruwelijk koud geworden en in het zuiden ondraaglijk droog en heet. Voor zover er nog land ís – Lessing heeft veel leefbare delen van de wereld onder water laten verdwijnen. Zeeën zijn van vorm veranderd, steden zijn in gletsjers gevangen, echte gletsjers zijn ingezakt tot toendra. En de mens is op drift, op grote schaal, op zoek naar een plek om te wonen. Alle sociale, maatschappelijke en politieke structuren zijn kapot. Iedereen redt zichzelf, meestal ten koste van anderen. Alleen de sterksten overleven.

Dit is fictie. Niemand hoeft dit boek uit te lezen.

De vraag is alleen: blijft het fictie? Wie de rapporten leest van sommige milieu-experts en -ngo’s gaat daar langzamerhand aan twijfelen. Het apocalyptische beeld van de mens die op de loop gaat wegens de klimaatsveranderingen die hij zelf in gang heeft gezet, doemt op in steeds meer van die rapporten.

Zo zei Norman Myers, hoogleraar aan Green College van de universiteit van Oxford, al in 1997: „Het ziet ernaar uit dat milieuvluchtelingen een van de grootste crises van onze tijd gaan worden.” In zijn rapport Environmental Exodus definieert hij milieuvluchtelingen als een „snel groeiende groep mensen die op eigen grondgebied niet meer in hun eigen onderhoud kunnen voorzien wegens droogte, bodemerosie, woestijnvorming, ontbossing en andere milieuproblemen. In hun wanhoop (–) hebben deze milieuvluchtelingen het gevoel dat er niets anders op zit dan elders hun heil te zoeken.” Sommige mensen raken in eigen land op drift, anderen gaan grenzen over. Ze belanden in kampen en shanty towns vol wanorde, geweld en ander onrecht. Zo wordt langzaam de bestaande orde ontwricht. Duurzaam ontwricht. En dat allemaal wegens ‘global warming’.

Halverwege de jaren negentig waren er volgens Myers 25 miljoen milieuvluchtelingen op de wereld. Hij voorspelde dat het er in 2010 50 miljoen zouden zijn, en in 2050 200 miljoen. Het Internationale Rode Kruis nam die voorspellingen in 2001 over. Sindsdien hebben de milieuorganisatie van de Verenigde Naties, UNEP in Nairobi, en het Stern-report van de Britse regering over de economie van klimaatveranderingen (2006), hetzelfde gedaan. Martin Beniston, een van de gerenommeerdste milieuexperts van Zwitserland, en John Hay van het Global Change Institute in Nieuw-Zeeland denken „dat het aantal milieuvluchtelingen tegen het eind van de 21ste eeuw oploopt tot 150 miljoen.” De wetenschappers die voor de Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) de oorzaken en gevolgen van klimaatveranderingen bestuderen, houden rekening met hetzelfde aantal, maar dan al in 2050. En vorige maand publiceerde de Britse hulporganisatie Christian Aid een rapport waarin staat dat de wereld tussen nu en 2050 wellicht één miljard milieuvluchtelingen telt. Dat getal belandde wereldwijd op websites en voorpagina’s. Een Franse europarlementariër schrok er zo van dat ze het onderwerp met spoed op de Brusselse agenda wil zetten.

Tweehonderd miljoen in het jaar 2050. Honderdvijftig miljoen in 2050. Honderdvijftig miljoen in 2100. Eén miljard tegen 2050. Dit zijn schrikbarende getallen. Niet voor niets gebruiken de auteurs van deze rapporten vaak aquatische metaforen als ze het over milieuvluchtelingen hebben: een golf, een stroom of een vloed. Maar waar zijn deze rekensommen eigenlijk op gebaseerd? En waarom lopen de prognoses zo uiteen? Kún je eigenlijk wel berekenen hoeveel vluchtelingen er over tientallen jaren zijn?

Eén ding springt meteen in het oog: alle rapporten over milieuvluchtelingen waar cijfers in staan, zijn geschreven door ‘milieumensen’. Toch gaat het hier om twee vakgebieden die weinig met elkaar te maken hebben, behalve dat ze in de geïndustrialiseerde wereld allebei bovenaan de politieke agenda staan: milieu en migratie.

Klimatologisch bezien lopen die twee disciplines logisch in elkaar over. Zo zegt Martin Beniston, hoogleraar klimaatveranderingen aan de universiteit van Genève: „We moeten ons vooral zorgen maken over de stijging van de zeespiegel. De aarde warmt op, oceanen dijen uit. Vijftig, zestig procent van de wereldbevolking woont aan de kust. Nederland bouwde dijken na de ramp van 1953. Maar op kleine eilandjes in Bangladesh gaat dat niet. In Indonesië ook niet, met 12.000 kilometer kustlijn. Daar hebben mensen geen andere keus dan te verhuizen. Dáár komt onze raming van 150 miljoen rond het jaar 2100 vandaan.”

Beniston geeft toe dat het moeilijk is om vluchtelingen te tellen voordat ze huis en haard hebben verlaten. Niemand weet bij voorbeeld hoevéél kust er onder water kan verdwijnen. Maar dat het zal gebeuren, daaraan twijfelt hij niet. Oprukkende woestijnen ziet Beniston minder als factor voor migratie. „Tijdens de droogtes in de Sahel in de jaren zeventig en tachtig migreerden mensen daar nauwelijks – ze stierven gewoon.” Collega’s van hem zijn juist erg bezorgd over Afrikanen die, voorspellen zij, massaal noord- en zuidwaarts gaan trekken. Volgens hen zijn de ‘bootmensen’ die nu vrijwel dagelijks bij Malta, Italië en Spanje uit het water worden gevist, de voorhoede van deze trek.

„Het milieu is niet de enige factor bij migratie,” zegt Beniston. „Maar hoe je je muntje ook gooit, of dat nu neerkomt op 80 miljoen of 150 miljoen: er zullen in de toekomst meer mensen migreren als gevolg van veranderende milieu-omstandigheden dan nu. Ik denk dat dit gezegd moet worden. Het wordt tijd dat regeringen zich hierop voorbereiden.”

Er is maar één regering die dat volgens hem echt doet: die van Tuvalu en andere piepkleine eilandstaatjes in de Stille Oceaan. Ze moeten wel, want ze dreigen onder water te lopen. Eerst hebben ze bij de Australische regering aangeklopt, maar die weigerde hun onderdak te geven. Nieuw-Zeeland heeft nu beloofd de hele populatie – een paar duizend mensen – op te nemen als de nood aan de man komt. Een Tuvalu-achtig eiland, ‘Vanutu’, figureert ook in de milieuthriller State of Fear van Michael Crichton (2004), een Amerikaanse schrijver met een neus voor eigentijdse angsten. Crichton voert daarin sluwe milieu-activisten op, die namens de eilandbewoners de Verenigde Staten voor de rechter slepen wegens milieumisdaden: het zijn immers de Amerikanen die, met hun ongebreidelde CO2-uitstoot, de opwarming van de aarde en dus het verdrinken van Tuvalu op hun geweten hebben.

Maar de activisten krijgen de causale verbanden niet rond en gaan sjoemelen met statistieken. Anderen zoeken zelfs hun toevlucht tot milieuterrorisme om de wereld wakker te schudden. Ze wekken tsunami’s op met high-tech schokkenmakers onder water en willen de Zuidpool laten smelten. Volgens Crichton is global warming een hype, en is het de milieu-lobby maar om twee dingen te doen: geld en macht.

Zoiets zullen migratiespecialisten niet hardop zeggen. Maar zij zijn, zacht gezegd, ook niet blij met de talloze prognoses over milieuvluchtelingen.

Tweehonderd miljoen of één miljard milieuvluchtelingen in 2050? „Waanzin,” zegt Richard Black, hoogleraar menselijke geografie aan de universiteit van Sussex, geïrriteerd. „Weet u hoe die cijfers tot stand komen? Je neemt een wereldkaart. Je kleurt de gebieden die onder water kunnen lopen, waar ontbost wordt, enzovoort. Vervolgens tel je hoeveel mensen daar wonen, en je hebt je cijfers. Whoeaa!”

De werkelijkheid is volgens Black ingewikkelder. Neem de uittocht uit New Orleans na Katrina, die vaak als voorbeeld wordt gebruikt voor de migratiestromen die de mensheid te wachten staan. „Maar waarom heeft Katrina zoveel mensen op de vlucht gejaagd? Omdat bijna al het geld dat opzij was gezet om de stad tegen vloedgolven te beschermen, sinds 9/11 in anti-terreurmaatregelen is gestoken. Men wist: de stad is kwetsbaar. Dus alle plannen lagen klaar. Alleen, ze zijn nooit uitgevoerd. Het zijn dus niet de klimaatveranderingen die hebben geleid tot dit drama, maar verwaarlozing door de regering, die plotseling andere prioriteiten had. Ze heeft daar achteraf, terecht, veel kritiek op gekregen.”

In de film An Inconvenient Truth toont de voormalige Amerikaanse vice-president Al Gore dia’s van miljoenensteden aan zee, waarvan hij er vervolgens een, New York, onder water laat lopen. Suggestie: we verzuipen, als we niets doen. Maar volgens Stephen Castles, hoogleraar aan het National Migration Institute in Oxford, is dit ‘stemmingmakerij’. De stijgende waterspiegel, woestijnvorming of steeds heftiger stormen, zegt hij, leiden niet per se tot migratie. Als regeringen adequaat op die veranderingen anticiperen, kan veel leed worden voorkomen – waren Londen en Amsterdam anders niet allang onder water verdwenen? „De mensheid is inventief. Als het klimaat verandert, komen mensen met strategieën. Zo is het altijd geweest. Maar die boodschap komt sommige milieumensen niet uit. Ik snap dat zij bezorgd zijn over global warming. Dat ben ik ook. Ze willen dat regeringen in actie komen om dat proces te stoppen. Maar dat je daarvoor een politiek gevoelig onderwerp als migratie gebruikt en met feiten goochelt om mensen flink te choqueren, is immoreel.”

Zo wordt in veel rapporten de stelling geponeerd dat veel van de miljoenen Afrikanen die dolend zijn, eigenlijk milieuvluchtelingen zijn. De burgeroorlogen en chaos die zij ontvluchten, zouden het gevolg zijn van groeiende schaarste aan graasland, vruchtbare akkers of water. „Klimaatveranderingen spelen zeker mee,” beaamt Black. „Maar ze tot dé hoofdreden bombarderen, is simplificatie. Is de tragedie van Darfur alleen tot het milieu te herleiden? Draaiden de verschrikkingen van Rwanda alleen om ruzie om natuurlijke rijkdommen? Dat kan toch niemand met enig historisch besef volhouden? Politieke twisten, etnische twisten, economisch wanbeleid – al die factoren spelen ook mee.”

En niet alleen de oorzaken van migratie zijn complex. Migratiepatronen zijn dat ook. Zo wijst onderzoek naar migratiestromen in Afrika in het verleden uit dat die stromen afnemen in tijden van extreme droogte. Dat klinkt onlogisch, maar dat is het niet. Als de droogte minder extreem is, zijn mensen die in de Sahel wonen minder arm. Dan hebben ze geld om ver te reizen, wat vooral mannen doen. Ze weten dat ze hun vrouwen en kinderen min of meer met gerust hart kunnen achterlaten. Maar bij aanhoudende droogte hebben de mannen geen geld om vervoer of mensensmokkelaars te betalen, vertelt Black, en kunnen ze hun families niet alleen laten. „Migratie van mannen verandert dan in migratie van gezinnen. En migratie van de lange afstand wordt migratie van de korte afstand. Meestal bewegen die gezinnen zich dan in cirkels: ze trekken een stukje weg, en komen dan terug op de oude plek.”

Onderzoek in Mali toonde aan dat de invloed van droogte en woestijnvorming op migratie kleiner is dan van de aanleg van een weg. Als de regering een weg aanlegt naar de stad, gáán mensen naar de stad. Als er geen weg is, gaan ze minder snel – zelfs als ze nauwelijks meer te eten en drinken hebben.

Dit roept een nieuwe vraag op: is migratie enkel negatief, zoals de rapporten over milieuvluchtelingen impliceren? Nee, vinden Black en Castles. Aan veel mensen, zeggen zij, kan de stad kansen en protectie bieden die ze thuis niet hebben: werk, onderwijs, ziekenhuizen. Ook plattelandsmigratie kan positief zijn. Bangladesh, dat vaak als ‘gedoemd’ land wordt beschouwd dat steeds meer ten prooi valt aan natuurrampen als wervelwinden en vloedgolven, is daar een voorbeeld van. Gegevens van het Onderzoekscentrum voor Rampenepidemiologie (CRED) aan de Université Catholique de Louvain, in België, tonen aan dat er vroeger bij elke ramp die Bangladesh trof, snel duizenden doden vielen. Toen begon de regering aan preventie te doen: mensen werden uit kwetsbare zones geëvacueerd. Daar hadden ze niet altijd zin in. Maar gevolg is wel dat natuurgeweld veel minder slachtoffers maakt. „Bangladesh bewijst dat ook arme landen zich kunnen indekken tegen de grillen van het veranderende klimaat,” zegt Salvano Brice~no, directeur van International Strategy for Disaster Reduction, een VN-organisatie in Genève.

Veel Bengali die migreren, migreren dus maar een klein stukje. Ze gaan geen grenzen over en ‘settelen’ opnieuw. Niemand zal zeggen dat dit prettig is. Maar mogen deze mensen worden ingeschaald als ‘milieuvluchtelingen’ – en met twintig miljoen nog wel, zoals Andrew Simms raamt in zijn boek Environmental Refugees: The Case for Recognition (2003)?

„Nee,” zegt Jeff Crisp, hoofd van de beleidsafdeling bij de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR in Genève. Hij wordt sinds de film van Al Gore uitkwam twee à drie keer per week gebeld voor seminars of lezingen over milieuvluchtelingen. Aangezien UNHCR verantwoordelijk is voor alle vluchtelingen ter wereld, komen mensen bij hem uit. Maar Crisp houdt de boot een beetje af. Strikt genomen zijn slachtoffers van climate change immers helemaal geen vluchtelingen. De definitie van een vluchteling is vastgelegd in de Geneefse Conventie van 1951: iemand die naar een ander land vlucht omdat hij in eigen land wordt vervolgd vanwege zijn geloof, politieke opvattingen, ras of geslacht. Alle ondertekenaars van de Conventie hebben de plicht om mensen die onder deze definitie vallen, bescherming te bieden. Dit is de hoeksteen van het vreemdelingenrecht, ook in Nederland: mensen die om andere redenen migreren, zoals economische of milieuredenen, kunnen worden geweerd.

„Milieuvluchtelingen bestaan wel,” zegt Crisp. „Maar het zijn er maar weinig. Bijvoorbeeld als een regering de akkers van boeren bespuit met gif, omdat zij actief zijn voor een verboden oppositiepartij.’’ UNHCR heeft tegenwoordig al de grootste moeite om echte vluchtelingen te beschermen: uit angst voor migranten verscherpen veel westerse landen hun wetgeving zo, dat ook echte vluchtelingen er steeds moeilijker binnenkomen. „Mensen die door droogte of overstromingen op drift raken,” benadrukt ook Stephen Castles, „zijn migranten, geen vluchtelingen. Door hen vluchtelingen te noemen en iedereen bang te maken dat er honderden miljoenen onze kant op komen, zweep je de vreemdelingenhaat nog verder op. Dat leidt tot nog strengere wetten. Zo maak je het voor echte vluchtelingen nóg moeilijker om erkend te worden.”

Maar waarom worden Castles en enkele van zijn medewerkers dan achterin het Christian Aid-rapport, dat één miljard milieuvluchtelingen voorspelt tussen nu en 2050, voor hun medewerking bedankt? Dat suggereert toch dat hij aan dat rapport heeft bijgedragen, dat hij er in elk geval in grote lijnen mee kan leven? Hij zucht eens diep. En vertelt dan dat „iemand die meewerkte aan dat rapport, een journaliste, ons tijdens een seminar op Oxford wat vragen heeft gesteld over milieuvluchtelingen. Wij hebben onze mening gegeven, die lijnrecht inging tegen de hunne. Maar dat is nergens in het rapport terug te vinden.”

Het stoort hem dat hij als deskundige wordt opgevoerd. Hij kent anderen die er net zo over denken: collega’s, en een specialist op het gebied van herhuisvesting die vroeger voor de Wereldbank heeft gewerkt. Deze specialist, Michael Cernea, had eens berekend dat er jaarlijks wereldwijd vijftien miljoen mensen hun huis verlaten om plaats te maken voor dammen, bruggen, plantages en andere ontwikkelingsprojecten.

Dat aantal heeft Christian Aid verhoogd met prognoses van anderen, en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal jaren tussen nu en 2050. In totaal komt dat in het rapport uit op een groep van 645 miljoen mensen – verreweg de grootste groep van de één miljard milieuvluchtelingen uit het eindtotaal. Maar deze 645 miljoen zijn lang niet allemaal op drift. Sterker, de meesten worden opnieuw gehuisvest. Zij zijn geen vluchtelingen: het gros blijft in eigen land. En milieu-luchtelingen, dat zijn ze al helemaal niet.

„Ik bedoel maar,” zegt Castles: „Als je Cernea en mijn medewerkers en mij van de bedanklijst van dat rapport schrapt, hou je alleen milieumensen over. Van klimaatveranderingen weten ze ongetwijfeld alles. Maar zodra ze het over migratie hebben, wordt het fictie.”

    • Caroline de Gruyter