Zwelgen in de tragiek

Thijs Bonger: Tsjaikovski. Componistenportretten. Twee cd’s, Home-Academy. Luisterduur ca. 2 uur, € 14,95

Het is bekend dat het leven van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski een tranendal van jewelste was: zijn onderdrukte homoseksualiteit, een rampzalig huwelijk, manisch-depressieve buien en een onvoorwaardelijke liefde voor muziek die maatschappelijk eigenlijk niet acceptabel was. Thijs Bonger, van wie onlangs een luisterboek over deze componist verscheen, is op een goede manier gevoelig voor al dat drama. Zo schetst hij de muziekcultuur in het Rusland van indertijd treffend door te vertellen dat, toen Tsjaikovski ophield met zijn werk als jurist, hij het verwijt kreeg dat hij ‘de rechtsgeleerdheid verruilde voor een doedelzak’. En ook het vertrek als docent aan het conservatorium wordt gemarkeerd met een mooi citaat uit een brief: het conservatorium was een ‘vieze huiveringwekkende gevangenis vol foetussen’. Wanneer Bonger bij de dood van Tsjaikovski aankomt, merkt hij, na een droevig muziekfragment (het begin uit de laatste symfonie, de Pathétique), verlekkerd op dat het aangenaam speculeren is over Tsjaikovski’s met mysteries omgeven dood. Zelfmoord vanwege een gefrustreerde liefde voor de prins? Waarschijnlijk niet, merkt Bonger daarna op: oorzaak was gewoon een glas ongezuiverd water in tijden van cholera.

Aanvankelijk vrees je dat veel clichés herhaald zullen worden, zeker wanneer het allemaal begint met de bekendste melodieën. Het is dan alsof Bonger weinig vertrouwen in zijn verhaal of de toehoorder heeft en hoopt met wat vuurwerk de luisteraar te overdonderen met het geram van het eerste pianoconcert. Maar na die valse start is Tsjaikovski een voortreffelijke documentaire, met intelligent gebruik van muziekfragmenten (ook van voorbeelden en tijdgenoten). Bonger bereikt een goede balans tussen leven en werk en hij is een prima verteller. Hij klinkt ongekunsteld, geheel in de Home Academy-traditie.

Tsjaikovski is dankbaar materiaal. Er is geestige contemporaine kritiek (het vioolconcert werd aanvankelijk gerecipieerd als ‘stinkende muziek’), er zijn fraaie anekdotes. Bijvoorbeeld dat de eerste openbare uitvoering van zijn werk door de walsenkoning Johann Strauss – iets dat Tsjaikovski pas werd ontdekt toen hij zijn naam op een poster zag staan. Door ruimte te bieden aan de minder bekende werken van Tsjaikovski wordt de pretentie die Bonger in het begin formuleerde, waargemaakt. Het subtiele, droevige en mooie laatste lied waarmee het verhaal afsluit, geeft inderdaad een ander beeld op Tsjaikovski.