Hirschfeld

Frits Bolkestein heeft van zijn bespreking van de recente Hirschfeld-biografie van Meindert Fennema en John Rhijnsburger (Boeken, 15.06.07) gebruik gemaakt om uit te halen naar het boek dat ik in 2004 aan Hirschfeld gewijd heb. Zijn uitspraken over mijn boek bevatten onjuistheden dan wel zijn storend onvolledig. Te beginnen bij onze handelsrelatie met Duitsland. Sprekend over onze relatie met de Oslolanden stelt Bolkestein dat deze landen 15 procent van onze buitenlandse handel betekenden maar Duitsland voor ons van veel groter handelsbelang was.

Het was echter onze uitvoer naar Duitsland die tot 15 procent van het uitvoertotaal was teruggevallen, een aandeel dat door onze uitvoer naar de Oslogroep in 1936 juist werd overtroffen. Reden voor Colijn om de veelbelovende handel met de Oslolanden verder uit te bouwen. De daartoe in maart 1937 belegde economische conferentie met deze landen liep, zoals ik beschreven heb, door het toedoen van Hirschfeld op niets uit. Hirschfeld stond daarbij onder Duitse druk. De interventies van Duitse zijde kwamen voort uit de vrees dat de uitbouw van onze handelsbetrekkingen met de Oslolanden ten koste zou gaan van de riante uitvoerpositie die Duitsland op onze markt innam en die de fel begeerde harde valuta opleverde.

Het is tekenend dat Bolkestein in strijd met de feiten vasthoudt aan het beeld dat door Hirschfeld zelf gecultiveerd is. Schrijvend over de meidagen van 1940, mij mede baserend op het verslag dat Hirschfeld daarvan zelf gegeven heeft, plaatst Bolkestein enkele uitspraken tussen aanhalingstekens, daarmee de indruk wekkend dat ze uit mijn koker komen. Ik gebruikte evenwel Hirschfelds eigen woorden die in zijn Herinneringen uit de bezettingstijd schreef: `Spoedig zou zelfs blijken dat Duitsland ons land vrijwel ongerept in handen had gekregen met een complete goed functionerende overheidsorganisatie`, alsook: `Voor hoe de achtergebleven overheidsorganen zouden moeten optreden moest de komst van de Duitse weermacht worden afgewacht. Enkele collega`s waren daarover bepaaldelijk zenuwachtig. Ik gevoelde al dadelijk dat het nodig zou zijn de teugels krachtig in handen te nemen [...]`

Bolkestein valt mij hard over mijn uitlating in Elsevier waarin ik Hirschfeld collaboratie verweet, een verwijt dat ik volgens hem niet hard kan maken. Een week na de Duitse inval liet Hirschfeld, lid van het college van secretarissen-generaal, de Duitse bezetters het volgende weten: `[...] sämtliche Mitglieder des Kollegiums seien zu loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besatzungsbehörden bereit und gewillt, die ihnen von der alten Regierung mitgegebene Richtlinien so extensiv auszulegen, dass eine weitgehende Zusammenarbeit mit den deutschen Behörden oder nach deren Weisungen möglich werde.` Voor wie zich een oordeel over Hirschfelds opstelling gedurende de oorlog wil vormen, is dit een inzichtgevend citaat. Dat Hirschfeld zich ook zo heeft opgesteld mag alleen al daaruit blijken dat naaste medewerkers in 1943 middels een inlichtingenrapport aan de regering in Londen Hirschfeld diens Deutschfreundlichkeit verweten en het feit dat hij in zijn samenwerking met de Duitsers veel te ver gegaan was. In mijn boek ga ik uitvoerig op die samenwerking in.

Op zoek naar een verklaring voor deze Deutschfreundlichkeit kwam ik onder meer uit bij de werkzaamheden van Hirschfelds vader. De aanwijzingen die ik aandraag om diens reisbureau te zien als een Abwehr-cover-organisatie beslaan de pagina`s 363-371 van mijn boek. Het is waar, zoals Bolkestein vermeldt, dat Fennema daarbij aantekent: `Het is niet uitgesloten dat Van der Zwan gelijk heeft maar waarschijnlijk is het niet.` Argumenten voor die uitspraak geeft Fennema evenwel niet.