Gaat sloap’n, jóng, eerst sloap’n

Aan het begin van haar schrijverscarrière schreef Hella Haasse in feuilletonvorm een speurdersroman. Nog steeds een ideaal vakantieboek.

Hella S. Haasse/C.J. van der Sevensterre: Sterrenjacht. Querido. € 16,95

In de eerste maanden van 1950 verzorgde Hella Haasse een dagelijks feuilleton in Het Parool. Zij deed dat onder pseudoniem. Omdat zowel de schrijver als de hoofdpersoon van het verhaal-in-afleveringen C.J. van der Sevensterre heette, leek het te gaan om een autobiografische speurdersroman. En zo schreef Haasse het luchtige vervolgverhaal Sterrenjacht, over een 22-jarige Amsterdamse freelance journalist uit de jaren dertig van de 20ste eeuw, zomaar even tussen twee omvangrijke historische romans door: over de 15de-eeuwse Charles d´Orléans (Het woud der verwachting) en de 16de-eeuwse familie Borgia (De scharlaken stad). Pas onlangs, bijna zestig jaar later, herinnerde ze zich dit feuilleton en achtte ze de tijd gekomen om dit spannende tussendoortje alsnog een definitieve plek te geven in haar oeuvre.

Sterrenjacht werd in 95 afleveringen gepubliceerd, steeds met een cliffhanger. Haasse schreef de roman vreemd genoeg niet in feuilletonvorm, maar in één ruk. Het was haar ‘te riskant’, zoals ze uitlegde naar aanleiding van de herverschijning, om ‘op de bonnefooi’ een dagelijkse aflevering te moeten schrijven. Toch heeft juist deze roman, die begint en eindigt met de tobberige pogingen van de jonge journalist om een deadline te halen, een hoog bonnefooi-gehalte. Dat maakt er ook precies de charme van uit. Hella Haasse nam hier, met behulp van een mannelijk alter ego, even vakantie van haar serieuze schrijverschap. In de flaptekst achterop is zelfs sprake van ‘een roman zonder literaire pretenties’. Dat is nu weer te bescheiden uitgedrukt. Alleen al in stilistisch opzicht steekt Sterrenjacht royaal uit boven de meeste hedendaagse, zogeheten ‘literaire thrillers’, maar ik weet niet of het zou kunnen meedingen naar de Gouden Strop. Daarvoor is het boek niet ijzingwekkend en vooral niet bloederig genoeg.

Haasse heeft, net als haar detectives-schrijvende vader indertijd, veel oog voor spanningsbogen, interessante intriges en aansprekende criminele details. Verder zal het niemand verbazen dat er historische elementen in het verhaal zijn geslopen. Er ligt niet alleen een eeuwenoude familievete aan ten grondslag, maar het verwijst ook naar de tijd dat Nederland nog Zeven Provinciën telde: Frieslant, Gelre, Groeningen, Hollant, Overijsel, Utrecht en Zeelant. ‘Het verleden lokt me eigenlijk toch wel’, peinst hoofdpersoon Casper-Jan als een bedillerige oude tante hem vraagt of hij voor haar op zoek wil gaan naar de ontbrekende zes schakels van een ketting, een erfstuk uit de 16de eeuw. Ooit bestond het sieraad uit zeven sterren, ingelegd met granaten, met op iedere ster een verwijzing naar een van de zeven provinciën.

Als de ketting weer compleet is, zo meent tante Arabella, zou die wel eens een soort schatkaart te zien kunnen geven, die voert naar een nog onbekend familiefortuin. Op die schat aast niet alleen tante Arabella. Ook Casper-Jan, die met zijn stukken voor het Amsterdams Weekblad niet veel verdient, hoopt op een deel van de buit, zeker sinds hij verliefd is geraakt op de mooie, daadkrachtige Titia. Hij wil haar graag het startkapitaal aanbieden voor een kindertehuis dat zij, gedreven door nobele motieven, wil opzetten. Maar eerst moet hij dus op sterrenjacht, want de granaten sterren zijn in het bezit van zeven mensen, verspreid over zeven provinciën, die allemaal in de verte familie van elkaar zijn en die ook allemaal zo hun eigenaardigheden blijken te hebben.

We zien Casper-Jan dus twee weken lang door Nederland toeren. Met trein, auto en zelfs paard en wagen. Op de hielen gezeten door mannen met baarden, snorren, rare brillen en bontmutsen. En intussen tegengewerkt door de gewiekste tante Arabella, die bang is dat hij er met de buit vandoor zal gaan. Zijn sterrenjacht pakt uiteindelijk, na veel kolderieke episodes en woeste achtervolgingsscènes toch nog gunstig uit. In het laatste hoofdstuk is de ketting met sterren compleet en kan de code die er achterop staat gekraakt worden. Het sleutelwoord blijkt na het nodige gepuzzel ‘eendracht’ te zijn. Dat leidt tot een zowaar nog enigszins ontroerende ontknoping. De sterren blijken niet te verwijzen naar kostbare materie, zoals iedereen had gehoopt, maar naar iets hogers en waardevollers: naar de gedachte dat de mensen elkaar niet naar het leven moeten staan, maar eendrachtig moeten samenwerken. De sterrenjagers van Haasse verzoenen zich schoorvoetend met elkaar en worden daarna, zo is de suggestie, misschien wel nét iets betere, want onbaatzuchtiger mensen dan daarvoor.

Met groot gemak bedient Haasse zich in Sterrenjacht van verschillende registers. De oude tante spreekt deftig, een Amsterdamse hospita volks, pastoor Smullens heeft een zuidelijk accent en een goochelaar, die voor volle zalen zijn verdwijntrucs vertoont, wordt uitgerust met een exotisch taaltje. “‘Oe ziet dit maisje’, zei Rakatra trots terwijl hij op de kast klopte. ‘Iek sloit haar in dit cassette. Sai kan daar niet oit. Die cassette is massief. Keen spleet, keen deur.’” De roman als geheel houdt een mooi midden tussen vlot en serieus. Aan de ene kant zijn er veel komische verwikkelingen, die van toevalligheden aan elkaar hangen. Aan de andere kant kan Haasse het weer niet laten om trouwhartig uitleg te geven over al die grappig intermezzi, in bedsteden, hooischuren, in antiekwinkels, op boten en in trams.

Sterrenjacht is duidelijk geen roman van deze tijd. In het verhaal dat zich nog voor de Tweede Wereldoorlog afspeelt, komen woorden voor die in onbruik zijn geraakt, zoals ‘reticule’, ‘reukflesje’, ‘commensaal’ en ‘galanterieën’. De zinsconstructies doen een enkele keer wat plechtstatig of omslachtig aan. Men kookt op een petroleumstel en eet veel spiegeleieren. Maar veel opmerkelijker is toch dat deze avonturengeschiedenis nergens gedateerd of oubollig aandoet. De kracht zit in het plezier en in de vaart waarmee Haasse haar hoofdpersoon op pad stuurde. Zo wist ze van een tussendoortje zonder literaire pretentie een veelkleurig en rijkgeschakeerd geheel te maken: een detective met vredelievende ontknoping, een stadsgeschiedenis met regionale accenten (“´Gaat sloap’n, jóng, gaat eerst sloap’n’, zegt een boer uit Almelo tegen Casper-Jan. “’t Is nog gien twee uur. Om vief uur zal ‘k oe uut de veren klopp’n’”), een doldriest avonturenverhaal met een wijze les op het eind, een liefdesroman die zichzelf op de laatste bladzijde weer opheft, zodat we ook nog bijna van een experimenteel werkstuk kunnen spreken. Een roman op de bonnefooi: een ideaal vakantieboek.