Bezuiniging kunstsector van de baan

Minister Plasterk (Cultuur, PvdA) ziet af van de omstreden bezuiniging van 50 miljoen euro op de kunstsector, die gerealiseerd had moeten worden door invoering van het ‘profijtbeginsel’.

Dat blijkt uit Plasterks ‘Hoofdlijnennotitie Cultuurbeleid 2009-2011’ en uit gesprekken met betrokkenen. De notitie wordt vanmiddag in het kabinet besproken.

Toepassing van het profijtbeginsel – waarbij instellingen meer verdienen door hogere toegangsprijzen te vragen – is omgebogen tot de opdracht aan de kunstsector om vanaf 2009 structureel 10 miljoen euro per jaar te verdienen met ‘verzakelijking’. Het gaat om bijvoorbeeld „verbeterde marketing en efficiëntere productie”. De minister investeert zelf 15 miljoen in verdere professionalisering.

Na overleg met de Cultuurformatie, een lobbyclub waarin koepelorganisaties uit de kunst zich verenigen, zal een commissie onder aanvoering van Martijn Sanders een advies over de verdeling van het geld uitbrengen.

De bezuiniging wordt verder ingevuld door zo’n 20 miljoen te verrekenen met de voorgenomen extra investering van 100 miljoen, en door 20 miljoen te vinden buiten de cultuurnota.

De minister wil een substantieel deel van de 100 miljoen extra die beschikbaar is voor de omroep investeren in cultuur, met name voor „kwalitatief hoogstaand drama”. Daarover wil hij afspraken maken met de omroepen. De publieke omroep noemt hij „misschien wel de grootste culturele instelling van het land”.

De lijn die Plasterk uitzet laat zich samenvatten als ‘brede basis, smalle top’. Er is veel aandacht voor het stimuleren van cultuurparticipatie, voor cultureel burgerschap en talentontwikkeling.

Het voorstel van de Raad voor Cultuur om te komen tot acht stads- en regiogezelschappen voor theater en dans neemt Plasterk over. Het gaat om Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en de regio’s Noord, Oost, Zuid, Utrecht. In Friesland kan een gezelschap zich aanmelden dat zich richt op het maken van Friestalig theater. Plaats voor vijf dansgezelschappen is er in Amsterdam, Rotterdam en de regio’s Noord, Oost en Zuid.

Plasterk benoemt ook 54 instellingen die zich mogen onttrekken aan de vierjaarlijkse subsidierondes en voor langere tijd worden ondersteund: 30 musea, 14 symfonieorkesten, opera- en dansgezelschappen en 10 sectorinstituten.