Nederland klemvast in Europa

Het ontbreekt Nederlandse politici nog steeds aan moed de burgers eerlijk te vertellen hoe ze ‘Europa’ zien en wat écht hun visie is op een nieuw verdrag, meent Abram de Swaan.

In het Europees topoverleg over het Grondwettelijk Verdrag verkeert Nederland in de onwennige positie van dissident. Daar staat het niet alleen in. Maar het is niet gelukt de tegenstanders rond één standpunt te verenigen. Toch wil Frankrijk onder Sarkozy vrijwel hetzelfde als het Nederland van Balkenende: een miniverdrag onder het vertrouwde supermarktmotto ‘geen fratsen, dat scheelt’.

Het laat zich aanzien dat het Franse voorstel de meeste kans maakt in het overleg: alle reeds eerder aangenomen verdragsteksten blijven onverkort gelden, maar ze worden niet meer tevens opgenomen in het nieuwe verdrag. Dat bevat nog wel alle bestuurlijke vernieuwingen van de oorspronkelijke versie, dus alles waar het echt om gaat. De achttien lidstaten die dat verdrag al hebben geratificeerd hoeven daar niet op terug te komen (als ze dat al ooit zouden doen). De dissidente landen hoeven geen ‘Europese Grondwet’ te accepteren, maar gaan uiteindelijk akkoord met een vrij simpel en helder wijzigingsverdrag dat de bestuurlijke verhoudingen binnen de Unie ingrijpend vereenvoudigt.

Voor de Nederlandse delegatie is dat toch heel ongemakkelijk, omdat de kiezers veel diepgaander wijzigingen waren voorgehouden. Die komen er niet. Tegelijkertijd wordt de verwachting van een referendum in stand gehouden. Dat moet in het overleg de indruk wekken dat de Nederlandse onderhandelaars met hun rug tegen de muur van een onverzoenlijke kiezersvolk staan. Maar een tweede referendum schept ook het risico van een volgende electorale afwijzing. Dat is de klem waarin de Nederlandse politici zich zelf hebben vastgezet.

De Nederlandse kiezers hebben, net als de Franse, ruim twee jaar geleden per referendum het Europees Grondwettelijk Verdrag afgestemd. Dat was pijnlijk, want de Nederlandse regering had zonder veel tegenstand van de oppositie al voor dat verdrag getekend. De politieke elite was er min of meer van uitgegaan dat de kiezers er net zo welwillend tegenover zouden staan. En de peilingen gaven ze gelijk. Maar naarmate de discussie op gang kwam, en nu er voor het eerst een echt publiek debat over de Europese Unie werd gevoerd, kregen meer en meer kiezers bedenkingen.

Het Grondwettelijk Verdrag was veel te uitvoerig en te ingewikkeld om met een ‘ja’ of ‘nee’ over te kunnen oordelen. Toch kan de problematiek in een paar syllaben worden samengevat: ‘Europa hup’ of ‘Europa ho’. Daar ging het om. Het werd ‘Europa ho’. Dat hebben de politici heel goed begrepen en daar hebben ze zich aan gehouden.

Misschien klonk in het referendum nog een ondertoon, een ‘subtekst’, mee. De politieke elites vroegen de kiezers, maar met andere woorden: ‘houden jullie nog een beetje van ons?’. Nee, dus. Althans, voor tweederden.

Van de gevestigde politici moeten alle burgers alsmaar meedoen aan een breed publiek debat. Maar toen de discussie over Europa werkelijk natiebreed was losgebarsten, hielden diezelfde politici zich muisstil. Ze wilden niet meer weten dat ze al hun politieke levensdagen zonder problemen hadden gefunctioneerd in een integrerend en uitdijend Europa en dat ze pas nog ook het nieuwe verdrag zonder morren hadden geaccepteerd. Het complete Haagse corps de ballet begon geluidloos en traag te draaien, met de klok mee uiteraard, en schroefde zich zo steeds verder vast.

Na het referendum werd er koen gesproken door de minister-president en boud door de minister van Financiën: het ‘neen’ van de Nederlandse kiezer zou nog eens zo ferm door de bewindslieden in Brussel worden verwoord. Nu was er niet zoveel te verwoorden, want niemand wist welke bezwaren nu precies de kiezers tot hun ‘nee’ hadden gebracht. Er was ook niet zoveel te eisen, want Nederland heeft van Europa veel profijt en overvragen tast al gauw dat voordeel aan.

In de herfst van 2006 speelde zich vervolgens een vreemde verkiezingscampagne af. Het referendum leek al helemaal vergeten, de Europese kwestie werd met de grootste kiesheid verzwegen, van de voornemens voor het komend overleg over een wijziging van het verdrag werd met geen woord gerept. De grote partijen vormden een onvermurwbaar kartel dat doodleuk weigerde om de kiezers te vertellen wat ze met het verdrag van plan waren. En dat in een periode dat de Europese Unie met twaalf nieuwe lidstaten de grootste uitbreiding in haar geschiedenis heeft meegemaakt.

In Frankrijk ging het anders. Nicolas Sarkozy schreef nog in de verkiezingscampagne een uitvoerig artikel over zijn voorstel voor een ‘miniverdrag’. Hij had ook de durf om meteen maar een nieuw referendum af te wijzen. Die politieke moed is in zijn geval beloond, in elk geval niet afgestraft, want Sarkozy werd met een grote meerderheid verkozen.

Die courage ontbrak bij de Nederlandse politici die in de hoofdstroom meedrijven. Er moest opnieuw en ook nu weer zonder woorden een draai gemaakt worden door de partijen in het nieuwe kabinet. Na alle stoer vertoon van vastbeslotenheid was het nu tijd voor rekkelijke standpunten in de komende onderhandelingen over wijziging van het verdrag.

De bewindslieden haalden diep adem, zetten de borstkas uit en vroegen, nee eisten de afschaffing van het Europese volkslied en van de Europese vlag. Wij mogen deze veranderingen van het bevoegd gezag niet ‘cosmetisch’ noemen. Want het komt hard, heel hard aan in de hoofdsteden van Europa. Het slotkoor van Beethovens Negende mag nog wel ten gehore worden gebracht, maar telkens als dat deuntje klinkt, kijkt voortaan de Nederlandse delegatie stuurs langs het azuren dundoek met de gouden sterrenkring.

O ja, er is ook sprake van nationale parlementen die vaker geraadpleegd moeten worden. Dit is onmiskenbaar wisselgeld dat onze gewiekste onderhandelaars nu al speels laten rinkelen om het straks uit te ruilen voor de eis dat het woord ‘Grondwettelijk’ verdwijnt bij het woord ‘Verdrag’.

Moet de Nederlandse kiezer zich straks nog eens uitspreken over de nieuwe versie van het verdrag? ‘Dat zult u mij niet horen zeggen’ is het politieke antwoord. Dat moet de Raad van State beslissen. Maar de Raad van State heeft daar niets mee te maken. Dat moeten regering en parlement zelf uitmaken. Die hebben zich al helemaal vastgedraaid. In het Europees overleg doen ze net alsof hun standpunten onwrikbaar zijn omdat elke concessie in een komend referendum zal worden afgewezen. Daarmee wekken ze bij de kiezers verwachtingen die ze niet van plan zijn waar te maken.

Geen politicus durft nog te zeggen dat zo’n referendum er niet komt. Daar is een heel klein beetje moed voor nodig. Na de unanieme aanvaarding van een inhoudelijk ongewijzigd maar redactioneel veranderd verdrag valt er voor de kiezer niets meer te beslissen. Meer zat er niet in. De zaak is gedaan en neemt geen keer.

Waarom ontbreekt het de politieke leiders van de gevestigde partijen dan telkens weer aan politieke moed? Waarom kost het hun zo’n moeite om te zeggen waar het op staat en waar ze voor staan? Misschien dat zijzelf en hun adviseurs dat gedraai juist heel slim vinden, zelfs briljant.

Ze hebben daar vast allerlei Amerikaanse termen bij, er worden opinies voor gepeild en verkiezingskansen berekend. Maar de kiezers zoeken naar iets anders, naar iets wat zij aanvoelen als karakter, en oprechtheid, moed en trouw. Dat is de electorale paradox: de kiezers willen iemand die niet alles doet alleen maar om gekozen te worden en die zij dan dus ook niet kiezen.

Abram de Swaan was universiteitshoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.