Rechtsongelijkheid in uitspraken tuchtcollege?

In NRC Handelsblad van 8 juni las ik het interview met de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de heer Torrenga. Hij noemt het voorbeeld van een patiënt die buikpijn had en moe was en doorverwezen had moeten worden naar een chirurg omdat het kanker betrof.

Dat is mijn vrouw ook overkomen. Steeds grotere vermoeidheid, vermageren en meer buikpijn. Onze ex-huisarts in Heiloo met zijn 35-jarige praktijkervaring zag deze ernstige verschijnselen als gevolg van een spastische darm. Laxeermiddelen voorschrijven was zijn enige kunde. Geen enkel benul dat het ook kanker zou kunnen zijn.

Mijn vrouw is 10 maanden te laat door hem doorverwezen, nadat we hem daartoe hadden geprest. Hij heeft mijn vrouw veel verdriet, pijn en angst bezorgd. In januari jl. is ze overleden. De huisarts is vorig jaar met zijn praktijk gestopt. Gelukkig, maar te laat!

Ons ingediende klaagschrift is door het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam gedeeltelijk gegrond verklaard. Ik ga in hoger beroep.

En dan zegt de heer Torrenga: ”je moet oog hebben voor de proporties van het leed dat je een arts toebrengt”. Heeft de heer Torrenga er al eens over nagedacht hoeveel leed een patiënt en nabestaanden is en wordt aangedaan door zo`n ondeskundige arts die slechts een waarschuwing krijgt. Daar hoor ik hem niet over. Dus toch weer die rechtsongelijkheid?