Internetporno kan je ‘techniek’ verbeteren

De explosie van bezorgde beschouwingen in NRC Handelsblad over de opmars van porno vraagt om een tegengeluid. De vraag is hoe nuttig of schadelijk expliciete beelden van bevredigend geslachtsverkeer zijn en dan met name voor zeer jonge mensen.

Ik vind dit een non-discussie. Het leven is en was doordrenkt van dingen die wijzen op seks. Toen ik een jaar of veertien was, woonde in onze buurt een arbeider in de kost bij een weduwe, die zijn raam op straatniveau doorgaans op een kier had staan. Alle kindertjes in de buurt klonterden na zijn thuiskomst samen bij die spleet, want als hij terugkwam op zijn kamer (na bezoek aan de weduwe?) zagen wij een wonderbaarlijk hoogglanzend uitsteeksel in de buurt van zijn kruis.

Een volgende samenscholing uit die tijd: op de portiektrap was een meisje van vijf, zes jaar bereid gevonden voor de jongens uit de buurt wijdbeens te tonen hoe het er onder haar broekje uitzag. Tegenwoordig zouden zulke jongens verhoord worden, zouden er bijeenkomsten voor de verontruste ouders zijn. Met een traumateam achter de hand.

Ik geloof niet dat al deze seks enige schade heeft veroorzaakt bij al die prille kijkertjes. Je nam er kennis van, borg het op als het niet onmiddellijk nuttig was en leefde gewoon verder.

De Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) had in de jaren zestig een boekje met standjes. De Kamasutra was er al veel eerder. Een Utrechts universitair instituut had een therapie voor storingen in het liefdesverkeer met bewegende beelden ‘hoe het moet’ inzake alle technieken. Het Christelijk Blindeninstituut Bartiméus had kunstpenissen om zijn meisjes te onderrichten en de protestantse seksuoloog Dupuis schreef voor het blad Gezond Gezin een artikel over anaal verkeer zonder het te verdoemen. Allemaal kennis – of zo men wil kennis van de techniek.

Nu hebben we internet en die kennis verbreidt zich. Erg, al die techniek? Ik lees de prachtige gedichten van Drummond in de column van Heleen Mees (Opiniepagina, 15 juni) onder de titel ‘Hoe het moet’ en ik vind ze deels ook techniek. Wel met een hoog poëtisch gehalte, maar toch ook techniek. En zo is het met alles wat we leren, zelfs boekhouden of timmeren: deels techniek en dan zelf het gevoel erin leggen. Sommigen gaat dat gemakkelijk af, anderen doen er langer over met pijnlijke momenten en sommigen lukt het helemaal niet. Die raken bijvoorbeeld aan porno verslaafd, net als aan drank, of kunnen de techniek niet in hun vaste relatie integreren. Heel pijnlijk.

Maar dat ligt niet aan de porno, denk ik dan. Zelfs denk ik: hoe helderder de techniek is, hoe eerder storingen opgemerkt en/of in de ziel gezocht kunnen worden. Nemen we als voorbeeld de geoliede vakantie-industrie: je kunt all-inclusive boeken voor een miniprijs en je twee weken ondanks de gelikte bediening rot voelen in Turkije. Je kunt ook een Optimistje (NRC Handelsblad, 15 juni) voor je kinderen kopen en gaan zeilen. Met andere woorden: je moet leren uit het massale iets persoonlijks te halen. Zo was dat altijd al, alleen is de massa tegenwoordig massaler, bijvoorbeeld door internet.

Heel veel bezorgdheid, bijvoorbeeld die van Annemarie Kok (Opiniepagina, 14 juni) herinnert mij aan de predikanten uit de jaren zestig die de voorbehoedsmiddelen het protestantse gezin zagen binnendringen, met alle gevreesde verlies aan zorgzaamheid die periodieke onthouding, de methode Ogino-Knaus, vereiste.

Wat mijzelf betreft: een paar maanden geleden heb ik als 73-jarige man uit nieuwsgierigheid eens ‘porno’ op Google aangeklikt en bekeken. Na die eerste week kijk ik nooit meer. Heel eentonig en stomvervelend. Wat mij wel voortdurend bezighoudt is het lijf van mijn geliefde. Om te rusten gaan we dan naar bed (Heleen Mees, 15 juni).

Wim Geradts is journalist en oud-voorlichter van de (opgeheven) Protestantse Stichting ter bevordering van Verantwoorde Gezinsvorming, de protestantse tegenhanger van de NVSH.

De artikelen van Mees en Kok zijn te lezen op www. nrc.nl/opinie