Toch had de Volkskrant gelijk

Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, betreurt dat zijn krant in november 2006 het woord ‘martelingen’ heeft gebruikt. Want martelen is alleen martelen als er martelen op staat. Om die reden was het onzorgvuldig dat de Volkskrant over zeven kolommen de kop ‘Nederlanders martelden Irakezen’ plaatste boven een beschrijving van de manier waarop leden van Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in de zomer van 2003 een dertigtal krijgsgevangenen aan verhoor onderwierp.

Twee commissies hebben zich over de gemelde incidenten gebogen, met als conclusie dat Nederlandse militairen zich niet aan de beweerde martelingen hebben bezondigd. Wel hebben de ondervragers in strijd gehandeld met de regels, aangezien zij tot het afnemen van verhoren niet bevoegd waren, maar zij hebben daarmee geen norm van het humanitair oorlogsrecht geschonden.

Gelukkig maar. Niet alleen het ministerie van Defensie en de betrokken militairen zullen opgelucht kennis hebben genomen van deze conclusie, ik voel die opluchting ook. En toch mag wel even gezegd worden dat de Volkskrant tot op grote hoogte gelijk had. De gerapporteerde feiten kloppen, dus de publicatie was volkomen gerechtvaardigd. Als de krant er geen melding van had gemaakt, was er nooit een onderzoek gekomen.

De fout zat in de kwalificatie van de feiten als martelingen. Dat is een juridisch oordeel, geen feit. Het was de mening van de hoogleraar internationaal recht Willem van Genugten. Volgens mij getuigt het van zorgvuldig journalistiek handelen dat de Volkskrant de vraag of er, gegeven de details over de ondervragingen, mogelijk was gemarteld, aan een deskundige heeft voorgelegd. Onzorgvuldig was het daarentegen dat diens oordeel vervolgens als feit werd gepresenteerd. Daarmee stelde de krant zich bloot aan het verwijt feiten en opinie met elkaar te vermengen.

Overigens heeft de constatering van de door de toenmalige minister van Defensie Kamp ingestelde commissie-Van den Berg dat zich géén martelingen hebben voorgedaan evenmin rechtskracht als de mening van prof. Van Genugten. Uiteindelijk komt zo’n oordeel alleen toe aan de rechter, in laatste instantie aan het Europese Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg. Maar vermoedelijk is de ernst van de incidenten niet zodanig, dat het daarop aan zou moeten komen: men kan het nu hierbij laten in de wetenschap dat er scherp op wordt gelet dat de door Nederland uitgezonden militairen hun boekje niet te buiten gaan.

En dit is de kern van de zaak.

Als Nederland besluit in internationaal verband deel te nemen aan militaire missies, zoals nu in Afghanistan, dan kleven daar risico’s aan van verschillende aard en dimensie. Het risico dat in eigen land het meest in het oog springt, is uiteraard dat wij mensen vragen desnoods hun leven op te offeren in de strijd tegen het terrorisme. Met deze verschrikkelijke consequentie zijn wij gisteren opnieuw geconfronteerd, toen de legerleiding moest melden dat een zevende Nederlandse militair in Afghanistan de dood heeft gevonden. De keuze tegen afzijdigheid, in het besef van de bedreiging van de veiligheid en de internationale rechtsorde door het terrorisme, impliceert onvermijdelijk een aanvaarding van dit, menselijkerwijs in wezen onaanvaardbare, risico.

Van een andere orde is het gevaar dat de toepassing van militair geweld leidt tot uitholling van het normbesef van degenen aan wie het gebruik van geweld is opgedragen en die zich in extreem moeilijke, levensbedreigende situaties moeten begeven. Instinctief neigt de publieke opinie, met uitzondering misschien van hen die a priori de militaire betrokkenheid van Nederland bij internationale conflicten afwijzen, tot onvoorwaardelijke steun aan de uitgezonden militairen. ‘Onze jongens en meisjes’ dreigen dan boven kritiek verheven te raken. Wij zijn allemaal Erik O. en laat geen rechter het wagen een vinger naar deze O. uit te steken. Ook in het geval van de onreglementaire verhoren in Irak was het intuïtieve dierlijke grommen van hoerapatriotten als VVD-Kamerlid A.J. Boekestijn en generaal b.d. A.J. van Vuren niet van de lucht. Hoe durfde de Volkskrant onze militairen in diskrediet te brengen, in de rug aan te vallen en zelfs aan het gevaar van represailles bloot te stellen? Was dat niet een gemene verkiezingslist van die krant om VVD-minister Kamp te beschadigen? Enzovoorts.

Jegens de methoden in de strijd tegen het terrorisme moeten we juist extra achterdochtig en extra strikt zijn. Nederland keurt ‘Guantánamo’ af en Abu Ghraib is een spookbeeld. Niemand die de Nederlandse militairen van zulke praktijken verdenkt. Maar ‘Guantánamo’ en Abu Ghraib staan tegelijk ook voor een algemener probleem – het gevaar dat ligt besloten in het à la guerre comme à la guerre, de kwetsbaarheid van de humaniteit in geweldssituaties en de mogelijkheid dat militair optreden gepaard gaat met een fatale morele ondermijning.

Daarom kan niet scherp genoeg gewaakt worden tegen zelfs maar de geringste ontsporing van de mensen die uit naam van de internationale rechtsorde en in dienst van de veiligheid het vuile werk moeten opknappen. De onthullingen over geheime CIA-kampen in diverse Europese landen moeten dienen als een mene tekel: wie zich verlaagt tot de methoden en de mentaliteit van de terroristen, kan de strijd tegen het terrorisme onmogelijk winnen. Met de grootst mogelijke gestrengheid en nauwgezetheid moet elke normschending aan het licht worden gebracht. Liever hypersensitief dan toelaten dat militairen het individueel of groepsgewijs niet meer zo nauw nemen met de voorschriften. Dát is de betekenis van de publicatie in de Volkskrant over de Irakverhoren en de daarop gevolgde onderzoeken.

Allerwegen klagen politici – vorige week nog de Britse premier Blair – dat ‘de media’ het cynisme bij de bevolking over de publieke zaak aanwakkeren. Gisteren leek de Volkskrant in de beklaagdenbank terecht te komen. Maar de gewraakte berichtgeving over de verhoren van gevangenen in Irak is ook achteraf niet te beschouwen als een bijdrage aan het cynisme. Eerder als waarschuwing tégen het cynisme dat in oorlogssituaties altijd op de loer ligt. En als aanmaning aan de Nederlandse militairen hun geweten niet thuis te laten.