Controverse rond Rushdie laait weer op

In de loop der jaren was de islamitische razernij over Salman Rushdies boek De Duivelsverzen geleidelijk verdwenen. Iran beloofde in 1998 officieel het doodvonnis niet uit te voeren dat ayatollah Khomeiny in 1989 tegen de Britse schrijver had uitgesproken wegens belastering van de profeet Mohammed. Na een jarenlang ondergronds bestaan, keerde Rushdie in de openbaarheid terug.

Door het Britse besluit hem in de adelstand te verheffen wegens zijn verdiensten voor de literatuur, is de controverse nu weer hoog opgelaaid. De Iraanse reactie – „ een belediging voor de islamitische waarden” – was voorspelbaar. Onder president Ahmadinejad spannen de autoriteiten zich immers in Khomeiny en zijn ideeën in ere te herstellen.

Maar de reacties in Pakistan gingen verder. Het Pakistaanse parlement eiste gisteren unaniem dat de Britse regering Rushdie de titel ‘Sir’ weer ontneemt. Minister van Religieuze Zaken Ejaz ul-Haq stelde zelfs dat acties als de Britse onderscheiding voor Rushdie aan de wortel liggen van het terrorisme. „Als iemand een zelfmoordaanslag pleegt om de eer van de profeet Mohammed te beschermen, is zijn daad gerechtvaardigd”, zei hij. „Als de moslims zich niet verenigen, zal de situatie verergeren en zal Salman Rushdie mogelijk een zetel krijgen in het Britse parlement.” Later zei ul-Haq – zoon van de in 1988 verongelukte president Zia ul-Haq – dat zijn opmerkingen niet waren bedoeld als rechtvaardiging van zelfmoordaanslagen.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, sprak gisteren nog eens de steun van de Verenigde Staten uit voor het Pakistaanse regime. „Pakistan is ver gekomen sinds het in 2001 beloofde om te proberen extremisme uit te roeien”, zei ze in Washington tegen haar Pakistaanse collega Kurshid Kasuri.