Zwijgtaal

In hoog tempo verliest de wereld zijn kleine talen. Onderzoekers proberen de laatste resten nog in kaart te brengen

Aone van Engelenhoven. Foto Freddy Rikken Dhr van Engelenhoven Universiteit Leiden
Aone van Engelenhoven. Foto Freddy Rikken Dhr van Engelenhoven Universiteit Leiden Rikken, Freddy

Sommige talen beleven na hun dood een tweede leven. Het Latijn bleef, ook toen er geen moedertaalsprekers meer waren, lange tijd de intellectuele taal van Europa. En nog steeds wordt het door sommigen, zoals de paus, actief gebruikt.

Het Latijn staat niet alleen. Er zijn, overal in de wereld, ook kleine taaltjes die niet meer in de dagelijkse omgang gebruikt worden, maar nog wel in, bijvoorbeeld, het rituele contact met de voorouders. De Leidse taalonderzoeker Aone van Engelenhoven kwam zo’n taal op het spoor, toen hij onderzoek deed op Oost-Timor.

“Het is een van de vele geheime talen in die regio”, vertelt Van Engelenhoven. “In het oostelijk deel van Oost-Timor is het Fataloekoe de algemene omgangstaal geworden. Elke groep heeft daarnaast nog een andere taal. Het verhaal, de metafoor die daarbij gebruikt wordt, is: die andere taal namen onze voorouders mee van overzee. In veel gevallen is dat een rituele taal geworden, die alleen nog in speciale contexten gebruikt wordt. Dat weten ze van elkaar niet. Alleen binnen de groep zelf weten ze ervan. Als je ernaar vraagt, zeggen ze: nee, die taal gebruiken wij niet meer. Maar dan ben je dus waarschijnlijk de verkeerde persoon die het vraagt.”

Dat in bepaalde dorpen op Oost-Timor ooit een heel andere taal werd gesproken, namelijk het Makoewa, was bekend. “In 2002 schreef iemand in een wetenschappelijke publicatie: er is nog één oude man die het spreekt en daar houdt het mee op. Ik had een artikel gelezen uit de jaren vijftig waar precies hetzelfde in werd gezegd: die taal is bijna uitgestorven, er is nog één oude spreker. Dus er was iets raars aan de hand. Die spreker leefde wel heel erg lang.”

Van Engelenhoven ging op onderzoek uit, in het Oost-Timorese dorpje Mehara: “Een geasfalteerde weg, rieten hutjes erlangs. In de verte zie je bergen. Er is een groot meer, met krokodillen. Ze verbouwen van die knollen, daar leven ze van. En ze hebben wat koeien en varkens.” Zoals verwacht, werd door de mensen in alle toonaarden ontkend dat het Makoewa nog op de een of andere manier onder hen leefde.

“Maar goed, op gegeven moment hadden ze een feestje. Ze raakten zwaar aangeschoten, want zoveel feestjes hebben ze daar niet, en ineens begonnen ze onderling allerlei zinnetjes te zeggen. ‘Doe de deur dicht’ – hoe zeg je dat in het Makoewa? Nou, hup. Ze wisten dat ik er nieuwsgierig naar was. Haha, hij wil dat weten. Hoe zeg je dit? Hoe zeg je dat? Dat ging maar door. Ik had niets bij me om dat op te schrijven, ik had ook mijn bandrecorder niet bij me. De dag daarop vroeg ik: kan ik dat opnemen, mag dat? Toen zei iedereen: Nee hoor, dat heb je gedroomd. Het werd categorisch ontkend.”

foute meneer

Van Engelenhoven ging op zoek naar het weinige materiaal dat er in de loop der jaren verzameld was over deze ‘verdwenen’ taal. “Ik kwam via via terecht bij een meneer die er eerder wat onderzoek naar had gedaan, maar dat eigenlijk niet had mogen doen, want hij was de foute persoon om dat te doen: hij had geen connecties in die regio, geen familie. Afijn, een heel ingewikkelde situatie. En ik had in Portugal een opname gevonden, uit de jaren vijftig. De enige opname die er bestond. Die liet ik horen. De mensen stopten meteen de vingers in hun oren. Ze schrokken zich wild, want dat mocht je niet zomaar uitspreken. Ik zat met mijn laptop tussen hen in. Toen heb ik gezegd: wat doen we nou? Dit is van jullie, het ligt in Portugal, gewoon voor het grijpen, voor iedereen. Moet ik het weggooien? Zeg maar wat ik ermee moet doen.”

Uiteindelijk lukte het hem om het vertrouwen te winnen. Hij vertelde dat zijn moeder afkomstig was van het Molukse eilandje Leti, dat voor de kust van Oost-Timor ligt. “Nou, dan moet je daar een beetje over vertellen. Je ziet dan: je wordt niet meer puur als een buitenstaander bekeken. Het is alsof je een deurtje opendoet. Bovendien is een van mijn voorouders ooit op Oost-Timor getrouwd, daar in de buurt, en die stamboom kon ik nog helemaal terugreciteren, zoals in dat gebied de gewoonte is.”

De mensen uit het dorp Mehara begonnen er aardigheid in te krijgen. Men besloot dat Van Engelenhoven een soort familie was. Dat werd ten slotte officieel, met een ritueel, bevestigd. “Toen heb ik voor het eerst ook meegemaakt dat iemand via een totempaal converseerde met een voorouder. Dat ging inderdaad in het Makoewa, al denk ik dat het vaste frasen waren die hij gebruikte. Uiteindelijk heeft de Makoewa-gemeenschap van sprekers mij ook toestemming gegegeven om onderzoek te doen.”

Desondanks bleven ze er geheimzinnig over doen. De mannen meer dan de vrouwen. “Ik heb oude vrouwen zover gekregen dat ze nog nieuwe zinnen maakten. Gewoon gezellig in de keuken. Hoe zeg je: Ik heb zin in een kokosnoot? De mannen kijken nou toch niet. Volgens mij zou je dat zo en zo zeggen.”

Waarom is het taboe?

“Omdat het informatie bevat over hun ontstaan en hun recht om in een bepaald gebied te zijn. In die regio heb je geen tempels of zo. Er is helemaal geen fysiek iets waar ze naar kunnen verwijzen. Het enige wat ze hebben is hun taal.

“Ze zijn allemaal streng katholiek – het is een Portugese kolonie geweest – maar dat ‘andere’ wereldbeeld loopt er gewoon naast. Zij doen niets zonder daar met de voorouders over te overleggen. En, wat ik heel democratisch vind, dat gaat altijd met de hele groep. Ze beslissen nooit iets voor zichzelf alleen. Het zijn geen individuen.

“Uiteindelijk heeft het taboe vooral ook te maken met balans. Alles moet in evenwicht blijven. Als de ene persoon meer weet dan de andere, is dat niet goed, want dan heeft de een meer macht dan de ander. Je laat dan niet zien dat je meer weet. Alleen op bepaalde momenten kun je dat doen, het moet je gevraagd worden. Je mag er niet vanuit jezelf mee komen. Als je dat wel doet, word je buitengesloten.”

Wat heeft taal daarmee te maken?

“De taal is de koelkast, de koffer van al die kennis. Hun hele wereldbeeld, vinden zij, zit in die taal. Ze willen niet dat een buitenstaander daar aankomt.”

Is het een restant van een taal of nog een complete taal?

“Het is een taal in coma. Ik heb nog een woordenlijst van duizend items kunnen opstellen. Dat is niet zo heel veel. Daarnaast heb ook allerlei vaste uitdrukkingen en zinnetjes kunnen optekenen. Ze zijn bijvoorbeeld nog heel goed in staat om te zeggen ‘stap maar in de boot’ en zo. Maar dan beweren ze: stap in de boot is één woord. Terwijl het eigenlijk een zinnetje is. Als je dat uit elkaar haalt, zit het heel anders in elkaar dan zij zeggen.”

Maar misschien houden ze u soms nog steeds voor de gek. Verzinnen ze dingen.

“Inderdaad, mensen kunnen ook woorden verzinnen. Bijvoorbeeld, als ze ruzie hebben met een andere clan, over de grond, dan kunnen ze een woord verzinnen, dat oud klinkt. Clan A zegt: onze grond loopt tot aan die rivier, onze voorouders hebben dat afgesproken met jullie voorouders. Clan B zegt: nee, dat is niet waar, onze grond loopt door tot aan die steen, dat weten wij omdat we daar een oud vers over hebben. Dan komt er een stuk gezang naar boven, en gaan ze met elkaar in discussie. Wie zegt dan de waarheid? Nou, degene die de oudste bron heeft. Het gebruik van een oude taal is dan een mogelijkheid om aan te tonen: ja maar wat ik zeg is veel ouder.”

Is er nog iets over van de grammatica?

“De woordvolgorde in de hoofdzin is in het Makoewa anders dan in het Fataloekoe. Maar in de bijzinnen gebruiken ze gewoon de Fataloekoe-grammatica. Verder hebben ze nog heel specifieke Makoewa-constructies voor mijn, jouw, zijn, etcetera. Als je daar goed naar kijkt, zie je dat Makoewa tot een heel andere taalfamilie behoort dan het Fataloekoe.”

Zijn er ook nog complete teksten?

“De verhalen vertellen ze in het Fataloekoe, maar bepaalde woorden, namen en fragmenten zijn dan in het Makoewa. Er bestaan ook nog teksten die gereciteerd moeten worden. Daar doen ze heel erg moeilijk over. Ik heb dat nog maar één keer mogen horen, jammer genoeg. Maar ja: wat niet mag, dat kan niet.

“Met dit soort onderzoek moet je precies weten waar je moet stoppen. Een van de dingen die wij willen is dat ze beseffen: waarom wil je het geheim houden? Omdat je bang bent dat het wordt gestolen, dat is het vaak. Omdat je bang bent dat het kapot gaat. Maar als je niks doet gaat het ook kapot. Op de een of andere manier zullen ze het toch moeten overdragen.”

Daar ligt dus hun belang bij uw onderzoek?

“Ja. Dat heeft alles te maken met de onafhankelijkheidsoorlog van Oost-Timor, die 25 jaar geduurd heeft, van 1975 tot 2001. Je hebt daar alleen oude mensen en jongeren. De generatie daartussen is voor een groot deel verdwenen. Die zijn dood of weg, naar Indonesië verhuisd. Echt extreem. Mijn informanten zijn allemaal 70, 80 jaar oud. Die willen het wel overdragen, heb ik gemerkt, maar ze weten niet hoe. En de jongeren weten niet hoe ze het moeten vragen. Ze willen wel, maar durven niet. Wat we willen proberen is: een ander systeem van overdracht aan de mensen voorleggen.”

Wanneer was het nog een levende taal?

“De omslag was de in de jaren zestig, denk ik. Ik ben meerdere mensen tegengekomen die zeiden dat ze het als kind nog spraken. Het is ook mogelijk dat het ook nu nog vaker gebruikt wordt dan ik nu denk. Het kan zijn dat mensen het Fataloekoe alleen voor de dagelijkse dingen gebruiken. Gaan ze het over dingen hebben die dichter bij hen liggen, die heel belangrijk voor ze zijn, dan, en dat is typisch voor die hele regio, willen ze dat het liefst in een andere taal doen. Die meer ‘van henzelf’ is. Het is dus mogelijk dat het Makoewa onderling nog wordt gesproken. Maar dan is het niet te vergelijken met een taal als het Nederlands, meer met een dialect.”

Ziet u parallellen met het Latijn?

“Jazeker. En ook met het Hebreeuws bijvoorbeeld. De parallel is dat een taal wordt gezien als het vat der kennis. In bijbels Hebreeuws is het gebruik van bepaalde frasen soms ook heel gevaarlijk, de naam van God mag je niet zomaar gebruiken.”

Wat is uw persoonlijke achtergrond?

“Ik heb een Nederlandse vader. Mijn moeder is als dochter van een Molukse KNIL-militair naar Nederland gekomen. Ze was toen twaalf, en is hier opgegroeid met het ideaal van een Molukse republiek en zo. Als Zuidwest-Molukker behoort ze tot een heel kleine minderheid binnen de Molukse gemeenschap – vier procent of zo. De Zuidwest-Molukkers zijn cultureel heel anders dan de rest. Ze verstoppen hun identiteit. Precies zoals de Makoewa’s dat doen. Als ik als jochie van tien aan mijn moeder vroeg: Wat is Leti?, zei ze: Wij hebben het niet over Leti, wij noemen onszelf Ambonezen.

“Omdat ik zo nieuwsgierig was, vroeg ik het aan mijn opa, die dat ook helemaal niet op prijs stelde. Hij wist ook niet alles. Logisch, hij was zestien toen hij het leger inging. De cultuur daar is: als je bepaalde dingen niet precies weet, dan heb je het er niet over. Als iemand er dan toch naar vraagt, is dat vervelend.

“Nou, dat verschijnsel zie je ook bij die Makoewa’s. Zij zeggen in principe niks. Hier zou je zeggen: daar moet je trots op zijn, dat moet je laten zien. Maar zij zijn zó trots, dat ze het absoluut niet laten zien, want het zou wel heel erg zijn als je ze uitlacht. Ik kan dus niet zeggen: hier is iets geks aan de hand in de bijzin, dat lijkt wel Fataloekoe. Dat soort dingen zeg ik niet. En ik moet alles heel indirect vragen.”

Wat gaat u ermee doen?

“Ik wil een mooi boek maken over het Makoewa. Een variant daarvan gaat terug naar die mensen, zodat ze er zelf ook wat aan hebben. We zijn trouwens ook bezig met een woordenboek van het Fataloekoe. Ze zijn zich ervan bewust dat ook die taal bedreigd wordt door andere talen.”

Dus zelfs het Fataloekoe gaat verdwijnen?

“Dat is het nou net. Alles verdwijnt daar.”