(Voor)oordelen over kinderarbeid in China

Hoe dichter we bij de Olympische Spelen komen, hoe talrijker de rapporten zullen worden over de mensenrechtensituatie in China. Zo ook het bericht in NRC Handelsblad van 11 juni: kinderarbeid in fabrieken die olympische spulletjes maken. Vakbonden en actiegroepen hebben een rapport samengesteld waaruit moet blijken dat in vier fabrieken in Hongkong en in de provincie Guangdong werknemers vreselijk worden uitgebuit en kinderen van twaalf jaar tot 75 uur per week werken.

Het ANP-bericht vergat te vermelden dat de BBC en Associated Press inmiddels drie van de vier fabrieken hebben bezocht en niet hebben kunnen vaststellen dat de arbeidsomstandigheden abominabel zijn of dat kinderarbeid wordt gebruikt. Ik ben net terug van een intensieve reis van vier weken door China, mijn ogen gespitst op mogelijke vormen van kinderarbeid in sectoren waar het in andere ontwikkelingslanden veelvuldig voorkomt (in wegrestaurants, in de informele sector, in reparatiewerkplaatsen, in de landbouw). Kindarbeiders zag ik niet.

Dit is nog geen bewijs dat het niet bestaat, maar eigenlijk is kinderarbeid niet logisch in een land dat weinig kinderen heeft als gevolg van het éénkindbeleid. Elk kind heeft als gevolg van dat beleid dat nu in de derde generatie is als het ware zes ouders (ouders en grootouders) die het kind vertroetelen. Ook is er een schoolplicht tot en met 16 jaar en de kinderen van 17-18 jaar die ik op hun werkplek daarnaar vroeg hadden allen de school afgemaakt.

Er kunnen politieke redenen zijn om China in een kwaad daglicht te stellen, zeker met de schijnwerpers gericht op de Olympische Spelen, maar we mogen wel voorzichtig zijn met rapporten over het gebruik van kinderarbeid. Ze bevestigen de al vaststaande (voor)oordelen en zijn mogelijk slechts gebaseerd op weinig betrouwbare informatie.