Stinkend naar de top

foto ap British mountaineers George Mallory is seen with Andrew Irvine at the base camp in Nepal, both members of the Mount Everest expeditions 1922 and 1924, as they get ready to climb the peak of Mount Everest June 1924. It is the last image of the men before they disappeared in the mountain. (AP Photo/Str) --- George Mallory Bergsteiger, GrossbritannienTeilnehmer an Mount Everest Expedition1922 und 1924- mit seinem Bergsteigerkollegen AndrewIrvine, rechts, beim Aufbruch aus dem Camp zur Gipfelbesteigung. Dieses Foto vom Juni 1924 gilt als eines der letzten vor dem Verschwinden der Maenner im Berg. (AP Photo/Str)
foto ap British mountaineers George Mallory is seen with Andrew Irvine at the base camp in Nepal, both members of the Mount Everest expeditions 1922 and 1924, as they get ready to climb the peak of Mount Everest June 1924. It is the last image of the men before they disappeared in the mountain. (AP Photo/Str) --- George Mallory Bergsteiger, GrossbritannienTeilnehmer an Mount Everest Expedition1922 und 1924- mit seinem Bergsteigerkollegen AndrewIrvine, rechts, beim Aufbruch aus dem Camp zur Gipfelbesteigung. Dieses Foto vom Juni 1924 gilt als eines der letzten vor dem Verschwinden der Maenner im Berg. (AP Photo/Str) Associated Press

Dit is het in een notendop. De Britse alpinisten George Mallory en Sandy Irvine wilden in 1924 bovenop de Mount Everest zien te komen. Dat lukte niet, of liever gezegd: ze kwamen nooit meer terug van hun tocht. Pas in 1999 werden ze teruggevonden: op maar 600 meter van de top. En dood, natuurlijk.

Nu is de vraag die het alpinisten-wereldje bezig houdt: stierven de twee vóór ze op de top aankwamen of bij terugkeer. In dat laatste geval zouden Edmund Hillary en sherpa Tenzing eigenlijk niet de eer verdienen die ze in 1953 hebben gekregen. Een fototoestel dat het team bij zich had kan uitsluitsel geven, maar dat toestel is kwijt. Het ligt ergens onder de sneeuw, tussen veel afgedankte uitrusting en nog meer oude alpinisten.

De onbedoelde dood van de twee bergbeklimmers wordt door sommigen als een raadsel beschouwd. Het waren fitte, gezonde mannen en het weer was niet extreem. ‘What went wrong’? Dat kan van alles zijn.. Veel expedities hebben te kampen gehad met voedsel dat niet deugde. Scott kreeg in 1912 buikloop nadat hij veel kerrie door de pemmican had gedaan. De dramatisch verongelukte Franklin-expeditie van 1845 heeft waarschijnlijk te lijden gehad van lood- en botulinevergiftiging door de beroerde kwaliteit van het ingeblikte voedsel. De deelnemers van de Andrée-expeditie die in 1897 om het leven kwamen bij Spitsbergen hebben misschien te veel onvoldoende verhit berenvlees gegeten. Het valt niet mee nu nog een verklaring voor de dood van Mallory te vinden.

Maar nu mèt de lichamen ook de restanten van de kleding uit 1924 geborgen zijn gaan de Britten dóór. Met de modernste analyse-apparatuur is uitgezocht waaruit de kleding van de twee destijds bestond en men is erin geslaagd die weer zo goed mogelijk na te maken. Het replica-project stond onder leiding van hoogleraar dr. Mary B. Rose van Lancaster University. Vorig jaar is Graham Hoyland, een verre verwant van Mallory, in de replicakleding weer de Mount Everest opgegaan en hij kwam verbaasd terug: de combinatie van zijde, katoen en wol in zeven lagen dik was warmer geweest dan hij had verwacht. Warmer en lichter. Hoyland denkt dat er wat betreft de ontwikkeling van kleding voor extreme omstandigheden sinds 1924 nauwelijks vooruitgang is geboekt. Hij doet er een schepje bovenop: het goed van Mallory stonk na zware inspanning aanmerkelijk minder dan de synthetische spullen van tegenwoordig. Misschien is de kleding wel achteruit gegaan.

Thermofysioloog Hein Daanen, verbonden aan TNO Human Factors in Soesterberg is het er niet mee eens. De vooruitgang is bescheidener geweest dan vaak wordt gedacht maar er zijn toch wel degelijk mooie resultaten behaald. Het gaat met kleine stapjes. Er is nu poreuze (ademende) laminaatkleding die winddicht is en toch afvoer van transpiratie toestaat. En er zijn kunststofvezels, zelf holle kunststofvezels, die lucht veel beter vasthouden dan wol dat kan. Want, zegt Daanen, het is uiteindelijk altijd de lucht die de isolatie moet leveren. Dunne, lichte kleding die goed isoleert bestaat niet. En de stank? Voor de stank verwijst Daanen naar TNO-collega Anton Luiken in Eindhoven.

Het stankprobleem bestaat, zegt Luiken, al had hij niet van Smelly Hansen gehoord. (Helly Hansen verkocht polypropeen onderkleding die al na een paar dagen een gemene geur verspreidde.) Luiken was net terug van de beurs Techtextil in Frankfurt. In wel 25 stands had men hem het antwoord op de stank toegeroepen. Dat antwoord is: zilver. Zilver als heel fijne deeltjes – ‘nano-silver’ – of zilver in dunne draadjes: ‘silver filaments’.

Het stankprobleem van synthetische vezels is herkend, erkend en waarschijnlijk ook begrepen. Men gaat er vanuit dat het veroorzaakt wordt door de groei van bacteriën op de vezels. Die tieren daar weliger dan op wol omdat het vocht op de synthetische vezels vermoedelijk beter beschikbaar is voor de bacteriën. En ook, of vooral, omdat synthetische vezels met andere kleurstoffen worden gekleurd dan wol. Voor wol worden vaak kleurstoffen gebruikt op basis van zware metalen en die onderdrukken de bacteriegroei. Dat is ook precies wat het zilver doet: de groei onderdrukken.

Nooit meer stinken in de bergen. Blijft het probleem van de pikzwarte handen. In de uitrusting van de lichtgewicht-kampeerder zit van oudsher veel aluminium. De pannen, de tentstokken, de haringen en pennen en soms het ladderframe van de rugzak. Een brandstoffles, een margarinepotje. Een deel van dat aluminium bezorgt de kampeerder steevast pikzwarte handen. Kan daar ook niets een wat aan gedaan worden? Is het überhaupt niet eens tijd voor een aluminium-kwaliteitskeur, zodat je van tevoren weet in welke pannen je tomatensoep kunt laten staan en in welke niet? Waarom vallen er in sommige pannen binnen een week gaten?

Die gaten zullen wel komen van het mangaan, denkt de Delftse hoogleraar prof. ir. L. Katgerman. Voor pannen wordt graag gebruik gemaakt van een aluminiumsoort waaraan mangaan is toegevoegd. Mangaan verbetert de vervormbaarheid en die is van belang bij het ‘dieptrekken’ in de pannenfabriek. Het mangaan is in minuscule bolletjes in het aluminium opgenomen en kan het centrum van corrosie worden.

Zwarte handen? Dat komt van het huidje aluminiumoxide (Al2O3) dat zich altijd op aluminium afzet. De sterkte van dat laagje is erg afhankelijk van de aluminiumlegering. Hoe minder bijmenging hoe sterker het huidje. Er zijn tal van manieren om het huidje kunstmatig te verdikken: dat heet anodiseren. Als de fabrikant anodiseert zijn ook de zwarte handen voorbij.