‘Ben ik misschien een zeldzame kever?’

De Vlaamse schrijver Geert van Istendael (1947) woont met zijn vrouw in Brussel en ging zondag naar de stembus. „We hebben van lamskoteletten tot bloemkool geen woord gewisseld over de verkiezingen.”

Geert van Istendael (1947) auteur,dichter in zijn werkkamer voor een wand met familie portretten. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Brussel, 13 juni 2007
Geert van Istendael (1947) auteur,dichter in zijn werkkamer voor een wand met familie portretten. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Brussel, 13 juni 2007 Mentzel, Vincent
Geert van Istendael

Vrijdag, 8 juni

Ik heb me de hele dag gewijd aan mijn kleinzoon. Ik doe dat één keer per week. Dat is mijn maatschappelijke taak. Al het andere moet wijken voor hem – en voor zijn iets oudere zus. “... ik ben bereid afstand te doen van alles in ruil voor de ademtocht van dat jonge leven, voor de geur van die ontluikende roos.” Zo schreef Elsschot, wie ben ik dat ik het beter zou willen formuleren dan de meester?

Het is niet dat de ouders zonder onze hulp geen rust zouden hebben. Het Belgische systeem van crèches en kleuterscholen is degelijk, uitgebreid en spotgoedkoop, tenminste, als ik het vergelijk met wat bestaat in kansarme gebieden zoals Nederland.

We brengen de kleine terug naar pa en ma. Naar Molenbeek, een van de armste buurten van Brussel, vroeger bevolkt door Vlaams proletariaat, nu door proletariaat uit alle ’s Heren landen. Iedere winkelruit is hier volgeplakt met verkiezingsaffiches. In één etalage glimlachen Jamal van de socialisten, Fatima van de katholieken, Khadija van de groenen en Afaf van de liberalen me bemoedigend toe. Allemaal Franstalige kandidaten. Maar kruideniers en bakkers hebben ook een plekje vrij voor Vlaamse Leen en Jef. Je moet met iedereen kunnen opschieten, dat oeroude middenstandsbeginsel geldt hier voluit.

Mijn dochter heeft heerlijk gekookt. Ze staat op de lijst van de Vlaamse groenen. We hebben van lamskoteletten tot bloemkool geen woord gewisseld over de verkiezingen.

Zaterdag

Ik pluk frambozen. Ze groeien tegen de muur van mijn oude stadstuin. Ze zijn dit jaar groter en geuriger dan ooit. Ik ben op het achterbalkon van mijn huis gaan staan en heb de tuinen van de buren en van hun buren overschouwd. Rode rozen, lichtblauwe hortensia’s, een lindenboom in volle bloei, hazelaars, vlier, kamperfoelie, alles niet al te zeer gesnoeid, maar ingesnoerd door de rechtlijnige geometrie van eenvormige, witgekalkte muren. Straks zal ik me mogen buigen over mijn gedichten.

Ik ben schandalig gelukkig. Het is niet zozeer een kwestie van bloemblaadjes en poëzie. Ik woon in zowat het rijkste deel van de wereld, daarin woon ik in één van de allerrijkste streken en daarin hoor ik dan nog eens bij de twintig procent rijkste mensen. In mijn stad, in Brussel, is een op vier inwoners arm. Iedere klacht die over mijn lippen zou komen, kan alleen maar schunnig zijn.

’s Avonds kijk ik naar het laatste grote televisiedebat vóór de verkiezingen. De katholiek wil bewijzen dat de paarse regering het land de laatste acht jaar in het verderf heeft gestort. Dat lukt hem niet, het gaat ons, collectief gesproken, veel te goed. De fascist van het Vlaams Belang houdt voor één keer zijn fatsoen. De groene mevrouw, die in vorige debatten hoofdzakelijk stuntelde, praat nu glashelder en dwingend. Maar ik vrees dat, ondanks alle Al Gores van deze wereld, haar boodschap nog altijd te vroeg komt.

Zondag

Mijn vrouw en ik trekken in alle vroegte naar de stembus. In bureau nr. 47 is iedereen zeer tweetalig, in Brussel de onmisbare basis voor hoffelijkheid. Bovendien zijn onze dienstdoende medeburgers behulpzaam, vriendelijk en onnadrukkelijk efficiënt. Na vijf minuten staan we weer op straat.

’s Middags gaan we wandelen met een groep vrienden. We trekken de taalgrens over, ten zuidoosten van Leuven. Het is een heuvelland, te mooi om waar te zijn. Vlaanderen heeft zijn zacht glooiende velden volgemorst met lelijke tot aartslelijke villa’s. De Walen springen veel zorgvuldiger om met hun open ruimte. De Vlamingen hebben hun dorpen barbaars verminkt. De Walen respecteren hun dorpen. Meestal. Tot nu toe. Ik denk dat ze gewoon minder centen hebben. We mogen van geluk spreken dat we in één land wonen met de Walen. Ze corrigeren ons iedere dag. Misschien wij hen ook.

Terugrijdend naar huis, naar Brussel, horen we de eerste verkiezingsresultaten op de autoradio. Ik heb vijftien jaar lang meegewerkt aan alle verkiezingsuitzendingen op tv. Ik weet uit ervaring dat de allereerste cijfers feilloos de tendens aangeven, zelfs al komen ze uit de kleinste negorij in de Westhoek.

Zo ook nu. De katholieken triomferen. Paars verliest. Dat is een oude Belgische gewoonte. Wie regeert, krijgt straf. De liberalen boeren dus achteruit, maar de socialisten worden afgeslacht. Paars is kapot. Acht jaar geleden waarschuwde Louis Tobback er al voor. Je begint met paars en je eindigt met bont en blauw.

Maandag

Ik lees de kranten: De Standaard, De Morgen, maar ook Le Soir en La Libre Belgique. Ik wil altijd weten wat Franstalig België doet en denkt. Veel Vlamingen koesteren de illusie dat het land van hen alleen is.

Het valt me op dat de Walen, die nu toch al een paar decennia wegzinken in eigen grondsop, verstandig hebben gestemd. De Parti Socialiste zwaaide sinds onheuglijke tijden de plak in Wallonië. Haar hegemonie werd gisteren gebroken. De liberalen zijn nu de grootste, voor het eerst in meer dan zestig jaar. De socialisten wentelen zich in schandalen. En toch hebben de Walen hun heil niet gezocht bij het extreemrechtse Front National. Ze hellen over naar Ecolo, de groenen dus.

Vlaanderen kon het niet laten de ultra-liberale populist Dedecker te verkiezen. Diens gloednieuwe partij haalt in één klap vijf zetels. Nog een geluk dat het Vlaams Belang één zetel verliest. Doe zo voort, jongens.

Het resultaat van mijn dochter is in al zijn bescheidenheid briljant en ze heeft geen minuut campagne gevoerd. De mevrouw die in Brussel de groenen leidt, krijgt een veertigtal stemmen meer.

Tegen de avond zijn we de wellicht knapste politicus van de laatste twintig jaar kwijt. De Vlaamse socialistische voorzitter Vande Lanotte neemt ontslag. Zijn koele helderheid, zijn illusieloze rationaliteit, de Vlaamse kiezer lustte ze niet. Hij luistert liever naar Leterme die voortdurend toetert dat de mensen goed bestuur willen. Tot nu toe is de man niet eens in staat geweest duidelijk te vertellen wat goed bestuur precies betekent. En de mensen, daar hoor ik zeker niet bij. Ben ik misschien een zeldzame kever? Een bedreigde zangvogel? Een vrijwel uitgestorven amfibie?

Dinsdag

Ik neem een vroege trein naar Ninove. Bij het station wacht mijn goede vriend Koen Stassijns me op. We gaan samen vertalen bij hem thuis. Hebben we al zo vaak gedaan, Brecht, Prévert, Brel, Yeats.

De Munt, zo heet onze nationale opera, vraagt ons zes gedichten van Rilke onder handen te nemen. Bernard Foccroulle heeft ze op muziek gezet. Foccroulle, een Luikerwaal die prachtig Nederlands spreekt, was vijftien jaar lang de intendant van de Munt, een groot intendant. Nu gaat hij weg. Zijn liederen zullen worden uitgevoerd ter gelegenheid van zijn afscheid. Wij vertalen Rilke voor het programmaboekje.

Koen is de man van het trage tobben. Ik ben de man van één geut. Ik zie structuur, parallellen, tegenstellingen. Hij ziet slordigheden, al te luie oplossingen, details die een vertaling maken of breken. We vullen elkaar volkomen aan.

Na afloop drinken we een glas wijn. De wijn is zo mooi als de gedichten. Koen is waarlijk een kenner. Ik besef dat mijn tong baadt in zaligheid, maar ik weet nooit waarom. Inzake wijn ben ik zwakbegaafd.

In de trein naar Brussel spoken de verkiezingen door mijn hoofd. Ik begrijp mijn medeburgers niet. Ze weten toch ook wat ze allemaal voor hun belastingcenten krijgen, goeie crèches, goeie scholen, goeie ziekenhuizen. Dat het land draait als een lier. Dat de volgende regering de boel zal besturen als de vorige. En toch zijn ze boos, zeg maar woedend. Mijn God, wat voel ik me wereldvreemd.

Woensdag

Er komt een meneer helemaal uit Rotterdam om een foto van mij te maken bij dit dagboek. Zijn navigatiesysteem weigert mijn straatnaam te kennen, Nederlands, Frans, niets helpt. De hoofdstad van Europa is een verwarrende doolhof. Net zoals de Europese Unie zelf trouwens. Dat bevalt me eigenlijk wel. In een vreemde stad wil ik altijd verdwalen, in mijn eigen stad wil ik me niet thuis voelen. En de EU mag van mij een eclectisch, wankel bouwsel zijn waarvan de plattegrond zoek is, met vele achterkamers, bochtige gangen, kelders en zolders. Een mens moet zich af en toe kunnen verstoppen voor gezag.

Donderdag 14 juni

Ik schrijf mijn maandelijkse stuk voor Poëziekrant.

Ik breng hulde aan Dirk van Esbroeck, die vorige maand overleed, net geen eenenzestig jaar oud. Onnavolgbaar, licht, elegant zong hij poëzie, Slauerhoff, Claus, Lucebert, Jos de Haes, Bernlef. Hij zong wat niemand anders kon zingen, durfde te zingen, het parlando van Richard Minne, zelfs Achterberg zong hij.

We zijn vaak samen opgetreden, met mijn lange gedicht Taalmachine. Het was onversneden plezier. Zijn muzikanten waren briljant. Tijdens de repetities werkte je zonder dat je het merkte. Alles liep op wieltjes en alles was altijd piekfijn in orde. Voorgoed, voorgoed voorbij.

Ik wilde deze week de eerste bladzijde schrijven van een groot boek over mijn vader. Ik heb het weer zeven dagen uitgesteld. Al meer dan een maand schuif ik het karwei voor me uit. De ene uitvlucht is al listiger dan de andere (kleinzoon, democratie, Rilke, Poëziekrant, NRC...) Het wordt hoog tijd dat ik mezelf bestraffend toespreek. Nee, kastijd.