Zelfmoord als protest

Salvatore Niffoi: De legende van Redenta Tiria. Vertaald door Els van der Pluijm. De Arbeiderspers, 173 blz. € 17,95

Iedereen gaat dood, alleen in het Sardijnse gehucht Abacrasta zoeken ze die dood altijd zelf op. De mannen knopen zich op met hun broeksriem, de vrouwen doen het met een touw. Ze weten dat het hun tijd is, als een vrouwenstem, zo’n beschaafd dwingende als van de TomTom, stel ik me voor, ze dat zegt. Zo gaat dat, sinds de stichting van Abacrasta, waar jongemannen de gewoonte hadden ‘hun vaders in de Moeflonkloof te smijten en zich als volwassenen aan de takken van de wilgen langs de rivier de Alenu te verhangen.’

Tenminste, dat moeten we aannemen van de gepensioneerde ambtenaar van de burgerlijke stand. Via hem krijgen we de verhalen te horen die aan zulke zelfmoorden vooraf gingen.

De legende van Redenta Tiria, een als roman vermomde verhalenbundel, draait om levens vol ongeluk, wrede rites, vindingrijkheid en vergeefs verlangen naar een vleug geluk, in de tijd van analfabete boeren en in die van het internet-daten.

De consequente keuze van deze dorpelingen voor zelfmoord lijkt een protest tegen een onheus hard leven, tegen geweld, tegen gebrek, tegen God. Door het tijdstip voor hun sterven zelf te bepalen ontstelen ze de Heer wat des Heren is. En er moet een blinde engel aan te pas komen, Redenta Tiria met haar zwarte haren en haar blote voeten en haar witte jurk, voor ze zich van die rebellie laten weerhouden.

Ze worden ons allen snel dierbaar, en eigenlijk doet het er niet toe of ze zich verdoen of niet. Want de Sardijnse schrijver Salvatore Niffoi schrijft hun verhalen, die elkaar soms in een bijzin kruisen, zo mooi van melodie en zo vol met machtige details, dat de ontknoping er niet meer toe doet.

De legende van Redenta Tiria drijft op magisch realisme. Er is sprake van gebak met toverkruid, van een klassieke inhalige prinses die in een dik dier met een vacht verandert, van een wonderbaarlijke genezing, wat niet al. En de natuur bepaalt de orde der dingen, even reëel als toverkunstig.

Niffoi schijnt zijn Italiaans gekleurd te hebben met het Sardijnse dialect. Vertaalster Els van der Pluijm handhaaft een enkel Sardijns woord, verder doet ze Niffoi recht met een verleidelijk weergave van de barokke beschrijving van de overlevering, van de hoge toon van de sage en van de hilarische toetsen van het volksverhaal.

Niffoi’s stijl en zijn verhaaltechniek herinneren sterk aan Christus kwam niet verder dan Eboli (1945) van Carlo Levi – ook een tedere roman vol verhalen over het oeroude eigene van dorpelingen. Zo beeldend schrijft Niffoi, dat je ziet wat je leest. In dit geval lijkt dat op een film van de gebroeders Taviani. Oude rotten die met hun episodenfilm Kaos (1984) vergelijkbare verhalen, maar dan van Pirandello, verfilmden. Nu maar hopen dat ze zich aan Niffoi wagen.