Waarheid is een schouderklopje

Volgens Richard Rorty is er maar één wereld: de natuurlijke. Hij verwerpt daarom de traditionele filosofische doctrines die de wereld uiteen laten vallen in aparte domeinen van bijvoorbeeld lichaam en ziel, geest en materie, taal en werkelijkheid, of Ding an sich en verschijnsel. Zulke onderscheidingen beschouwt hij als overbodig, omdat ze geen enkel praktisch verschil voor ons leven maken.

Dat maakt zijn positie pragmatistisch: ‘waarheid’ is volgens hem niet meer dan een lintje dat we toekennen aan de opvattingen die bij uitstek nuttig, bevrijdend of behulpzaam zijn in onze menselijke aangelegenheden. Omdat het begrip waarheid geen belangrijke praktische rol speelt, heeft het ook geen groot theoretisch belang. Zo kun je filosofie beoefenen zonder te vervallen in grote woorden of metafysische abstracties, en je concentreren op de praktische vragen van het leven.

Rorty’s pragmatisme ontstaat uit de combinatie van twee beroemde kentheoretische doctrines: Willard Quines betekenisholisme en Wilfrid Sellars’ verwerping van de ‘mythe van het gegevene’. Quine betoogt met kracht dat individuele uitspraken niet over individuele feiten of stukjes wereld gaan, omdat er geen bruikbare notie van woord- of zinsbetekenis is waarop zo’n visie zou kunnen steunen. De betekenis van individuele uitspraken in bijvoorbeeld natuurkundige theorieën wordt evenzeer bepaald door het samenhangende geheel van de theorie als door de buitenwereld. Maar je kunt deze twee componenten niet eenduidig uit elkaar halen. Sellars verwerpt de traditionele filosofische tegenstelling tussen datgene wat aan onze zintuigen gegeven is, en wat daaraan door onze kennende geest wordt toegevoegd.

Zo verdwijnt ook de rol van de zintuiglijke waarneming als ultieme rechtvaardiging van onze kennis. Waarnemingen spelen nog wel een rol in onze kennis, maar slechts als oorzaken van onze opvattingen, niet als rechtvaardigingen.

Deze positie komt neer op een afwijzing van de traditionele filosofische visie dat kennis een afbeelding van de wereld is, en dat waarheid bestaat uit de correspondentie tussen uitspraken en feiten. Ook de individuele waarneming verliest bij Rorty zijn traditionele filosofische hoofdrol. In plaats daarvan beschouwt hij kennis als het resultaat van gemeenschappelijke discussie. Daardoor verandert volgens hem ook het doel van de filosofie. Die verliest niet alleen de kentheoretische taak om kennisaanspraken op hun merites te beoordelen, maar algemener ook de funderende culturele rol die ze nog bij denkers als Kant en Hegel had. Filosofie moet volgens Rorty niet streven naar ultieme waarheden of rechtvaardigingen, maar naar het voortzetten van een conversatie die streeft naar de beter begrijpen van anderen en het verbeteren van het lot van de mensheid als geheel.

Dat zijn grote doelen, maar ze worden in nuchtere termen geformuleerd. De rol van de academische filosofie erin is echter beperkt, en Rorty heeft daaruit ook de consequenties getrokken. In zijn laatste jaren hield hij zich meer met literatuurtheorie en politiek bezig dan met filosofie.

Eén laatste filosofische dualisme blijft zijn denken echter nog beheersen: voor zijn pragmatisme is het onderscheid tussen feiten en normen, of tussen oorzaken en rechtvaardigingen, essentieel. De onopgeloste spanning tussen deze twee heeft, ongetwijfeld tegen Rorty’s bedoelingen in, latere generaties beroepsfilosofen toch weer stof tot nadenken geleverd.

Richard Rorty: Philosophy and the Mirror of Nature (1979).