Vertel het de legerarts

Georges Duhamel: Civilisatie 1914-1917. Vert. Mechtild Claesssens. De Arbeiderspers, 208 blz. €21,95

Het moet gekmakend zijn mensen te genezen enkel om ze kort daarna te laten doden. Georges Duhamel was zo’n arts, in de frontlinie, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij behoorde tot de eerste lichting Franse legerartsen. Doordat voor het eerst tanks, vlammenwerpers en gifgas werden ingezet, waren de verwondingen gruwelijker dan ooit: afgerukte ledematen, uitstulpende organen. De geneeskunde schoot volledig tekort.

In de tweede oorlogswinter begon Duhamel zijn ervaringen op te schrijven. ‘Ik wilde deze mannen niet alleen behandelen, maar ook getuigen van hun beproevingen’, schreef hij in zijn memoires. Het resulteerde in Civilisatie 1914-1917, dat verscheen in 1918, en dat de Prix Goncourt won.

In het boek, dat bestaat uit korte verhalen, neemt Duhamel steeds een ander perspectief in. Soms is hij verpleger, dan weer brancardier. ‘Zijn’ gewonden vertellen hem over hun levens, hun echtgenotes, hun dromen en verwachtingen. Meestal sterven ze. Zo beschrijft Duhamel, in behoedzame, treffende taal, zijn vriendschap met luitenant Dauche, die met een granaatscherf in zijn hoofd nog maar kort te leven heeft. De scherf kan hem elk moment fataal worden, maar Dauche zelf weet dit niet. Integendeel: hij is optimistisch en levenslustig. De situatie is bijna ondraaglijk voor Duhamel, die zich realiseert dat ‘Dauche zal sterven, maar een ander zijn doodsstrijd voert.’

De schrijver stelt zo ontroerende menselijke verhalen tegenover de ontmenselijking aan het front. Ook met klinische beschrijvingen van verwondingen en operaties ramt hij zijn boodschap erin: dit zijn mensen, mensen, en nu worden ze kapot geschoten. Eén keer beschrijft Duhamel hoe hij een dag lang aan één stuk door alleen maar onderbenen amputeert.

Vanzelfsprekend heeft de auteur geen goed woord over voor legerleiding of politici. Ook de oudere artsen, zelfvoldaan en met weinig begrip voor de veranderde medische werkelijkheid, moet het ontgelden. Treffend beschrijft Duhamel hoe een bezoek van een hoge officier aan hun ziekenhuis hen terstond tot huichelachtige hielenlikkers maakt. Zulke kritiek op oorlog en autoriteiten was in die tijd ongekend en dit boek is alleen daarom al te prijzen.

Enigszins eentonig wordt het wel. Elk verhaal draait om misstanden en (verlies van) menselijkheid. En net als bij die andere Franse schrijver/arts Henri Barbusse wordt die herhaalde humanistische boodschap een beetje hinderlijk. Dat neemt niet weg dat Duhamel aangrijpende verhalen schreef. En dat die – de verhalen van de slachtoffers – steeds opnieuw dienen te worden verteld.