Verslaafd

Het kostte me geen enkele moeite de twee vrouwen te verstaan, die vlak voor mij in de tram naar Amsterdam-West zaten.

Ze waren tegen de zeventig en degene die het meest aan het woord was, een vrouw met stekelig, geblondeerd haar, praatte keihard omdat ze doof was. Haar gehoorapparaatjes hielpen me aan die informatie. Haar vriendin begon van de weeromstuit ook te schreeuwen, zodat ik voor het eerst van mijn leven naar een treincoupé met uitzinnige mobiele bellers verlangde.

De troost van de tram is dat je weet dat het niet erg lang zal duren. De tram is nooit een hel, eerder een korte, felle brand.

Wat mij altijd weer verbaast, maar nooit teleurstelt, is de bereidheid van de mens om in het openbaar het eigen leven onbarmhartig tegen het licht te houden. De biechtstoel is afgeschaft, de biecht niet.

„Je weet toch dat ik erg verslaafd ben geweest”, zei de blonde met een vanzelfsprekendheid alsof haar leven al door allerlei biografen was opgetekend.

De andere vrouw hoefde alleen maar te knikken. Dat is alles wat je moet doen bij iemand die graag over zichzelf vertelt – knikkebollen mag ook, ze merken het verschil niet eens.

„Ik heb heel wat afgegokt”, vervolgde de vrouw. „Ik zat twintig uur per dag achter die apparaten.”

De vriendin draaide zich half om en ik zag een glimp van een bovenkaak zonder gebit. „Hoeveel geld heeft je dat wel niet gekost?”

„Klauwen vol. Die kasten zijn er niet voor jóu. En dan al die consumpties die erbij komen! In die tijd dronk ik me half dood. Later ben ik thuis gaan drinken, dan spaarde ik dat in ieder geval uit. En agressief dat ik kon worden!”

„Als de zemelen de overhand krijgen, is een mens tot alles in staat.”

Was het een verspreking of een grapje? Als toehoorder zit ik altijd met het probleem dat ik het niet kan navragen.

„Ik heb wel eens in mijn woede een gokkast beetgepakt en bijna zó door het raam gesmeten. Het was me gelukt als er niet een stang voor had gezeten. Twee stevige jongens stonden te kijken en die begrepen niet dat ik die kast omhoog had kunnen krijgen.”

Ze zweeg even. „Niks erger als verslaving”, zei ze toen.

„Als je verslaafd bent, ben je mooi aangekleed”, zei de vriendin.

Die uitdrukking kende ik niet en ik sloeg haar onmiddellijk op in mijn virtuele archief voor favoriete zegswijzen, dichtbij het mooie „Het laatste hemd heeft geen zakken”, bedoeld voor mensen die tot aan hun dood al te zuinig blijven – iets waar de blonde kennelijk nooit last van had gehad.

„Doe je ook nog steeds aan bingo?” vroeg de vriendin. „Ik vind het wel leuk, maar ik heb zo’n moeite om die kaart te overzien.”

„Daar ben ik mee gestopt”, zei de blonde vrouw, „ik kon de cijfers niet meer goed horen.”

Ik had ze samen wel eens achter een tafel willen zien in zo’n bomvolle huiskamer, waar die bingotoernooien vaak gehouden worden.

De blinde en de dove, gedoemd tot machteloosheid en niet in staat elkaar te helpen, terwijl links en rechts de prijzen werden uitgedeeld.

Dat hemd zonder zakken was voor hen ineens een stuk dichterbij gekomen.