Melktand

Op weg naar de ijscoman, met zoon (5) aan de hand, moet ik ineens onbedaarlijk huilen. Slecht natuurlijk. Moeders moeten niet huilen. In zoons ogen schemert paniek. „Heb je je pijn gedaan?” vraagt hij. Ik weet dat ik iets moet zeggen. Een verklaring moet geven. Maar hoe leg ik uit dat ik op deze dag van melk en honing (zon, lammetjes, geen wolkje aan de lucht) aan niets anders kan denken dan aan wat er mis kan gaan, me afgenomen kan worden. Aan noodlot, dood en donker.

Een van de weinige keren dat ik mijn eigen moeder heb zien huilen was tijdens een mislukte vakantie in Duitsland. Het was winter en steenkoud. We maakten korte wandelingetjes door het nabijgelegen Anton Pieckdorp en aten grote stukken sachertorte in de Konditorei. Mijn zus en ik zwommen in het hotelzwembad, dat rook naar verfverdunner en brachten – gek van verveling – uren door in de recreatiezaal. We flipperden, leerden onszelf biljarten en gooiden lamlendig munten in een fruitautomaat.

Tot mijn moeder ineens op de drempel stond. Ze zag wit. „Ik ben bang”, zei ze. „Ik kan er niet meer tegen,” Nou zijn er natuurlijk moeders die elke dag wel een keer „ik kan er niet meer tegen” zeggen, maar mijn moeder grossierde niet in dit soort opmerkingen, dus maakte het indruk. „Het is hier de oorlog”, fluisterde ze en begon zacht te huilen. Ik luisterde naar de schietende en knallende flipperkasten. En naar de stemmen van het bedienend personeel, dat bestellingen naar elkaar schreeuwde in de naastgelegen keuken. Zo klonk dus de oorlog. De volgende ochtend vroeg vertrokken we.

Op weg naar de ijscoman zie ik in zoons ogen dezelfde verwarring en afschuw die ik voelde tussen de fruitautomaten in Duitsland. „Soms”, zeg ik uiteindelijk „ben ik ineens heel erg bang”. Zoon knikt. Kennelijk is dat een aanvaardbaar antwoord. „Wil je mijn tand nog ‘ns zien?” vraagt hij. Samen kijken we naar de witte melktand, die sinds een paar dagen niet meer in zijn mond, maar in een doosje zit. Dan gaan we ijs kopen. Chocolade. Twee bolletjes.

Roos Ouwehand