Het geheim ontglanst

Thomas Verbogt: Eindelijk de zee. Nieuw Amsterdam, 192 blz. € 16,50

‘We waaien door het leven’ luidt een van de hoofdstuktitels van Thomas Verbogts nieuwe roman. Het geldt voor Boudewijn Nagthuys, de 54-jarige journalist die de verteller is van Eindelijk de zee, maar ook voor de meeste andere personages van Verbogt, of het nu de nostalgicus is uit Onze dagen (2001) of de eeuwige tobber in Het ongeluk (2003). Geen wonder dat vriendschap en liefde, de ultieme vormen van hechting, zo’n belangrijke rol in het werk van Verbogt spelen – het gevoel van ‘zeker weten dat iemand je nooit in de steek zal laten, zeker weten dat je nooit van iemand loskomt.’

Boudewijn Nagthuys is een typische Verbogt-held, uitgeblust in zijn carrière (als hoofdredacteur van een opinieweekblad) en geconfronteerd met zijn verleden (door de dood aan kanker van zijn boezemjeugdvriend Sam). Aan de hand van flashbacks krijgen we een beeld van het leven dat aan deze late-life crisis voorafging: een van Kuifje vervulde jeugd in de jaren vijftig in kleinsteeds Nijmegen, het verlangen om weg te breken uit de burgerlijkheid, de carrière in Amsterdam, de relaties- van-korte-duur met vrouwen-op-wie-niets-is-aan-te- merken, en boven alles de vriendschap met Sam, zijn stoere alter ego die als kunstenaar in veel opzichten het leven geleid heeft waarvan ze allebei droomden.

Met Sam deelt Boudewijn niet alleen zijn jeugd en een traumatische vakantie-ervaring – de ontdekking van een vermoord stelletje in een schuilkelder in de duinen – maar ook een geheim. Áls je al kunt spreken van een plot in Eindelijk de zee dan is het dat dit geheim na Sams dood van zijn heroïsche glans wordt ontdaan, en dat Boudewijn zijn leven in een ander licht beziet. Daar komt bij dat de begrafenis van Sam ook nog een verrassing voor onze held in petto heeft, namelijk een ontmoeting met Sams psychiater, die misschien wel de vrouw van zijn leven zal blijken. Zij neemt hem mee terug naar (Bergen aan) zee, waarmee op het niveau van de roman de cirkel gesloten is.

Leek Verbogts voorlaatste roman gemodelleerd naar de met nostalgie en korte zinnen gevulde romans van Tim Krabbé, Eindelijk de zee doet in de eerste plaats denken aan het recente werk van Remco Campert. Boudewijn Nagthuys heeft veel weg van de oude schilder die in Het satijnen hart zijn oude dag beschrijft, terwijl de stijl – een combinatie van melancholische bespiegelingen, traag tempo en vriendelijke ironie – hoge ogen zou gooien in de Remco Campert lookalike contest. Toch ‘werkt’ Eindelijk de zee minder dan Camperts succesroman, en dat komt doordat het lot en de gedachten van de hoofdpersoon weinig bij de lezer losmaken.

Het is een klassiek schrijversprobleem: Verbogt heeft duidelijk zijn best gedaan om iemand te schetsen die ‘door het leven waait’, maar juist dat maakt dat zijn personage weinig tot de verbeelding spreekt. Zijn vage, dromerige manier van formuleren (‘Ik stond naar die zee te kijken en dacht ook dat nu alles ging beginnen, zonder dat ik een idee had wat’) gaat steeds meer irriteren, zeker als je niet afgeleid wordt door de humor die Verbogt gelukkig vaak in zijn zinnen laat doorklinken: ‘Zéggen wat je denkt vind ik vaak te moeilijk, aan wat ik denk heb ik mijn handen al vol.’

Anders dan in Onze dagen/Het ongeluk (net bij Nieuw Amsterdam in een mooie omnibus verschenen) krijgt het getob van Verbogts romanhelden iets zeurderigs: ‘De wereld om me heen wordt te klein voor wat ik wil, zonder dat ik weet wat ik wil, ik heb alleen een vermoeden van wat ik wil, maar voor dat vermoeden heb ik geen woorden. Ik heb nergens woorden voor. Alle woorden voor wat ik belangrijk vind zijn ongeldig geworden, zoekend gestamel.’ Bij zo’n bespiegeling slaat de vermoeidheid van de hoofdpersoon onvermijdelijk over op de lezer. Zelfs al is dat op een kwart van de roman.