Berlage van zijn voetstuk

Auke van der Woud e.a.: Bouwen in Nederland 600-2000. Waanders Uitgevers/Prins Bernhard Cultuurfonds, 688 blz. €39,95

Ineens was het er, het nieuwe handboek voor de Nederlandse architectuur. Sommige auteurs, zoals Noud de Vreeze die onder meer het hoofdstuk over de Nederlandse woningbouw in de periode 1945-2000 schreef, hadden hun tekst al een jaar of tien geleden ingeleverd en sindsdien niets meer gehoord. Maar de redactie van vier hoogleraren architectuurgeschiedenis – Koos Bosma, Aart Mekking, Koen Ottenheym en Auke van der Woud – werkten blijkbaar in stilte verder aan een nieuw standaardboek van 688 bladzijden over de Nederlandse architectuur.

De titel van het nieuwe handboek is veelzeggend. Bouwen in Nederland 600-2000 heet het, en niet Architectuur in Nederland of iets dergelijks. Anders dan het driedelige Handboek tot de geschiedenis der Nederlandsche bouwkunst uit 1941 of Duizend Jaar Bouwen uit 1957 is Bouwen in Nederland 600-2000 geen geschiedenis van elkaar opvolgende architectuurstijlen. ‘In de afgelopen decennia is [...] steeds meer gebleken dat de stilistische ontwikkeling op zich geen houvast biedt voor de verklaring van de veranderingen in de architectuur’, schrijven de redacteuren in het voorwoord. Typologie oftewel ‘de veranderende functies en de ontwikkeling van de verschillende soorten van gebouwen die daaruit zijn voortgekomen’ is de motor van de architectuurgeschiedenis.

Hierdoor is Bouwen in Nederland 600-2000 veel meer geworden dan een actualisering van de oude handboeken. Het is een herschrijving van de geschiedenis en vertelt het verhaal van de Nederlandse architectuur op een nieuwe, andere manier. Bouwen in Nederland laat zien hoe zich uit enkele soorten gebouwen uit de Middeleeuwen – kerk, kasteel, klooster en het woon- en werkhuis – een veelheid aan gebouwentypes ontwikkelde. Elk van de vier tijdvakken waarin het boek is verdeeld – 600-1100; 1100-1500; 1800-1900 en 1900- 2000 – hebben weer nieuwe types opgeleverd: de 17de eeuw bracht bijvoorbeeld het waaggebouw, de 18de eeuw onder meer het museum, het moderne ziekenhuis en kantoorgebouw en de 20ste eeuw het vliegveld.

Natuurlijk is het bij 27 verschillende specialisten die ieder een of meer delen van het boek voor hun rekening namen, onvermijdelijk dat de ene een weerbarstiger stijl heeft dan de andere. En natuurlijk is het ook onontkoombaar dat een handboek waarin geen belangrijk gebouw ongenoemd mag blijven, voor een flink deel bestaat uit opsommingen die een beroep doen op het doorzettingsvermogen van de lezer. Om de lange tocht door Bouwen in Nederland te veraangenamen hebben de redacteuren de hoofdtekst dus regelmatig onderbroken met korte, rijk geïllustreerde artikelen over gebouwen van bijzonder belang, zoals Het Loo in Apeldoorn en de Afsluitdijk. Ook bij de hoofdtekst staan veel oude en nieuwe foto’s en tekeningen.

Maar hoe verschillend de auteurs ook schrijven, de redacteuren hebben van hen wel gedaan gekregen dat ze de architectuurgeschiedenis op eenzelfde wijze benaderen. Om de almaar uitdijende stamboom van gebouwtypes te beschrijven en te verklaren gaan allen uitgebreid in op de sociaal-economische en politieke ontwikkelingen in Nederland. Vanuit de opvatting dat de maatschappelijke vraag naar nieuwe soorten gebouwen de geschiedenis van de architectuur bepaalt, besteden ze ook veel aandacht aan opdrachtgevers, zoals de prinsen van Oranje in de 17de eeuw en de woningbouwverenigingen in de 20ste eeuw. Zij waren tenslotte degenen die de maatschappelijke behoefte aan nieuwe gebouwen concreet maken.

Alleen het laatste deel over de 20ste eeuw is een beetje warrig. Misschien omdat er maar liefst zeven auteurs voor dit deel zijn ingeschakeld, is het een brokkelig, niet chronologisch deel geworden dat een paar keer opnieuw lijkt te beginnen. Het vormt een contrast met het deel over de 19de eeuw. Dat is dan ook geschreven door één auteur, C.P. Krabbe, die deze eeuw, anders dan nog steeds gebruikelijk, niet afschildert als een minderwaardig tijdperk van neostijlen, maar als een zoektocht naar antwoorden op nieuwe opdrachten die de industrialisering met zich meebracht. ‘De fascinatie van de 19de-eeuwse architectuur schuilt in de combinatie van technische en ruimtelijke vernieuwingen en het streven naar een sprekende uitdrukkingsvorm voor het verleden als haast onuitputtelijke inspiratiebron werd genomen’, schrijft Krabbe.

De keerzijde van de rehabilitatie van de 19de eeuw is dat H. P. Berlage in Bouwen in Nederland hardhandig van zijn voetstuk wordt gestoten. Terwijl Berlage nog steeds algemeen wordt beschouwd als de grote wegbereider van het modernisme dat een einde maakte aan de 19de-eeuwse neostijlen, is hij in het nieuwe handboek een minder belangrijke figuur dan bijvoorbeeld Pierre Cuypers, de architect van het Rijksmuseum in Amsterdam. Berlages magnum opus, het Beursgebouw in Amsterdam, is niet meer dan een paar zinnen waard en over zijn geschriften schrijft Koos Bosma onvriendelijk dat ze niet meer zijn dan ‘een weinig originele collage van buitenlandse en vooral 19de-eeuwse literatuur.’ Veel oorspronkelijker als denker over architectuur vindt Bosma juist M.J. Granpré Molière, de 20ste-eeuwse traditionalist die eerder bijna op de mestvaalt van de geschiedenis terechtkwam.