27. Haal de emmer van je hoofd

Cor Bakker (45) is pianist. Bij het grote publiek is hij bekend van de shows van Paul de Leeuw. Ondanks een stroom van beledigingen door Paul de Leeuw, blijft hij daar altijd vrolijk lachen.

„Het is heel druk nu. Ik ben bezig met de voorbereidingen voor het Musical Awards Gala. Daar ben ik pianist en orkestleider. Dat is heel spannend, maar live shows zijn sowieso spannend. Paul de Leeuw is trouwens ook vrijwel live: de show wordt van tevoren opgenomen, maar er wordt zelden in geknipt.

„Live optredens zijn het leukste dat er is. Als de opnames telkens moeten worden stopgezet omdat er een lamp scheef staat of zo, haalt dat alle spontaniteit eruit. En je houdt de concentratie niet vast.

„Ik wilde als kleine jongen al pianist worden. Ik kom uit een onmuzikaal gezin. Maar op de lagere school stond een oude piano in de gang – en de leraar van de vijfde klas oefende daarop in de pauzes. Daar was ik zwaar van onder de indruk: dat wilde ik ook. Maar het kon niet. Het was te duur. Na heel lang zeuren is er toen toch een piano gekomen. De leraar, die met mij oefende in de pauzes, vond dat ik talent had en dat ik daar iets mee moest doen.

„Mijn grote voorbeeld in die tijd was Louis van Dijk. Hij was echt mijn idool. Ik kocht al zijn lp’s als jochie van tien, elf jaar. Door hem ben ik ook naar het conservatorium gegaan. Letterlijk.

„Dat ging zo: als puber twijfelde ik eraan of ik goed genoeg was om door te gaan in de muziek. Mijn muziekleraar heeft me toen meegenomen naar Louis van Dijk. Ik was bloednerveus, rubberen knieën had ik. Hij zei: speel maar, maakt niet uit wat. Hij deed zijn ogen dicht en luisterde. Ik speelde wat jazz, wat klassiek, een eigen stukje. Toen ik uitgespeeld was, zei hij: ‘Jij moet gewoon naar het conservatorium. Je bent een lul als je dat niet doet.’

„Het spelen als begeleider begon al op het conservatorium. Ik kon invallen bij Marjol Flore, toen een vrij bekende cabaretière. Dat klikte zo goed, dat ik voor haar bleef werken. We deden theatershows en radio-optredens. En zo rolde het balletje verder. Bij de radio vroegen ze me om vaker terug te komen, ook zonder haar. Zo ben ik gaan spelen met mensen als Liesbeth List, Willem Nijholt en Jasperina de Jong.

„Ik vind wat ik doe zo leuk dat ik niet het gevoel heb dat ik ooit heb gewerkt. Als ik de hele dag hard bezig ben geweest, en ik kom thuis, ga ik weer zitten spelen. De enige dingen die ik niet leuk vind, zijn triviale zaken als files. Daar sta ik vaak in, omdat ik zoveel onderweg ben. Of een slechte piano. Dat los ik op door altijd mijn eigen stemmer mee te nemen, theaters met een slecht instrument op een zwarte lijst te zetten of een eigen vleugel te huren.

„Ik doe veel begeleiding, maar mijn hart ligt bij de jazzmuziek. Ik heb een eigen trio, maar doordat ik het zo druk heb met begeleiding, staat dat nog een beetje in de kinderschoenen. Wel heb ik onlangs een jazzprijs gewonnen, de Gooise Jazz Award. De vorige winnaar was Toots Thielemans. Daar was ik best trots op.

„Overigens is begeleiding niet hetzelfde als jezelf wegcijferen. Als het goed gaat, is één plus één meer dan twee. En dat is schitterend.

„Ik ben daar wel in veranderd. Vroeger dacht ik: laat mij maar begeleiden, achter een gordijn met een emmer over mijn hoofd. Nu vind ik het ook leuk om mijn eigen dingen te doen.

„Het is op het ogenblik te druk om echt aan de jazz toe te komen. Die fout maak ik steeds. Als het eenmaal loopt, word je veel gevraagd voor nieuwe dingen. Eigenlijk is alles leuk – en ik kan moeilijk ‘nee’ zeggen. Maar thuis heb ik ook nog een vrouw en twee puberdochters. Die verdienen ook tijd en aandacht.

„Er is nog een gek verhaal. Als jongen had ik geen posters van vliegtuigen of voetballers aan de muur, maar van Louis van Dijk. En ik had een plaatje van een vleugel. Daar keek ik naar, en dan droomde ik ervan dat ik ooit zo’n instrument zou hebben. Toen ik jaren later mijn eerste vleugel kocht, een tweedehandsje, was dat exact dezelfde vleugel als op dat plaatje. Zelfde merk, zelfde model. Een Petrov. Terwijl dat een vrij onbekend merk is. Gek hè.”