Eindelijk: het proces-B.

Ze zijn al bijna 25 jaar geleden gepleegd: de Decembermoorden in Suriname. Op 8 en 9 december 1982 werden in Fort Zeelandia in Paramaribo vijftien critici van het militaire regime doodgeschoten. Toenmalig legerleider Desi Bouterse, oud-regeringsleider en tegenwoordig lid van de oppositie in het parlement, moet worden vervolgd, zo heeft het Hof van Justitie in Suriname het Openbaar Ministerie bevolen. Hij en 22 anderen worden voor de krijgsraad gebracht.

Al heeft het 25 jaar geduurd, het recht lijkt nu toch zijn loop te krijgen. Nabestaanden hebben eerder tevergeefs geprobeerd de oud-dictator in Nederland te berechten. De Hoge Raad stak daar in 2002 een stokje voor, voornamelijk omdat de Decembermoorden waren gepleegd voordat zowel het internationale verdrag als de Nederlandse wet tegen foltering van kracht was. Gelukkig was in Suriname zelf kort daarvoor een strafrechtelijk onderzoek begonnen.

De vijftien tegenstanders van de militaire dictatuur – advocaten, journalisten, een vakbondsleider, (ex-)militairen, universiteitsdocenten, een oud-minister – waren volgens een lezing van Bouterse op de vlucht neergeschoten. Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) rapporteerde op basis van gesprekken met ooggetuigen anders: er was sprake van ernstig verminkte lijken met soms tientallen kogelgaten en sporen van zware mishandeling. De moord op deze intellectuelen toonde aan dat het regime geen tegenspraak duldde.

Veel meer dan aan de op dit punt vaak nogal passieve regeringen van Suriname is het toekomstige proces tegen Bouterse te danken aan de nabestaanden die, gesteund door enkele maatschappelijke organisaties, hardnekkig hebben volgehouden. Het proces is het resultaat van een beklagprocedure die jaren heeft geduurd. Bouterse zelf heeft als parlementariër voor de NDP onlangs nog geprobeerd er via een amnestieregeling onderuit te komen. En passant bood hij zijn excuses aan voor de moorden, onder de vermelding dat hij het niet was die de trekker heeft overgehaald. Ook liet hij weten dat hij nooit voor een rechter zou verschijnen.

Het ziet ernaar uit dat dit nu toch gebeurt en het is te hopen is dat het niet bij een proces-Bouterse blijft. Suriname is nooit toegekomen aan degelijke waarheidsvinding wat de gebeurtenissen van december 1982 betreft en andere grove schendingen van de mensenrechten. Zoals de moord op zeker vijftig burgers, onder wie kinderen, van het dorp Moiwana, (1986), de executie van zes marron-burgers, onder wie een 15-jarige jongen, in Atjoni (1987), de verdwijning van vier burgers bij een militaire actie in Apura (1990) en de mysterieuze moord op politie-inspecteur Gooding (1990).

Regeringen, ook die onder leiding van de huidige premier Ronald Venetiaan, waren op dat punt veel te terughoudend. De huidige minister van Justitie, Chandrikapersad Santhoki, die eerder als politiecommissaris bij diverse onderzoeken naar mensenrechtenschendingen betrokken was, vormt een gunstige uitzondering. De Surinaamse regering doet er goed aan nu de voorwaarden te scheppen om het proces goed te laten verlopen. Hoopvol is dat er al enkele maatregelen zijn genomen, zoals de beveiliging van de rechterlijke macht en de inrichting van een extra beveiligde rechtszaal.

Het proces-Bouterse is een belangrijke stap, maar het is niet geschikt als slotakkoord. Wel is het wenselijk dat het proces nu ook daadwerkelijk en snel begint. De nabestaanden van de slachtoffers van de Decembermoorden hebben er al veel te lang op moeten wachten.