Waarom moet Europa een gevoel zijn?

Europa leeft niet onder burgers en zou dus een stapje terug moeten doen, zeggen diverse eurosceptici.

Moet Europa leven dan? Wij zijn de Verenigde Staten niet!

Dit jaar vieren we de gouden bruiloft van de Europese Gemeenschap. In 1957 werd in Rome het EEG-verdrag ondertekend, waarmee het startschot werd gegeven voor een succesvolle economische samenwerking. De gemeenschap van zes staten groeide in vijftig jaar uit tot een unie van 27 lidstaten met meer dan 450 miljoen inwoners.

Niemand zal het economische succes van die unie betwisten. De samenwerking op dat vlak is werkelijk een prestatie van wereldformaat. En toch heeft het succes weinig echte vrienden: de gevoelstemperatuur van Europa is laag, koud zelfs, zeker in het huidige Nederland.

Critici grijpen die temperatuur vaak aan om te betogen dat verdere samenwerking in Europa, bijvoorbeeld in een federatief verband, of onder de paraplu van een ‘waarden’-volle grondwet, onmogelijk of onwenselijk is. De unie heeft geen herkenbare identiteit, zeggen zij. Het gevoel ‘Europese Unie’ bestaat niet en moet dus ook niet worden opgedrongen. Europeanen zijn te verschillend om gedeelde waarden te hebben, luidt dan het devies, waarbij steevast wordt verwezen naar de grote verschillen met de Verenigde Staten, waar de statelijk samenwerking wel plaatsheeft onder de vlag een sterke nationale identiteit. Ook sociologisch onderzoek uit 2004, gepubliceerd in de Atlas of European Values, toont aan dat de waardepatronen van Europeanen onderling meer verschillen dan overeenkomen.

Het gelijk van de eurosceptici lijkt daarmee bewezen. Europa leeft niet en zou dus een stapje terug moeten doen. Toch zijn daar kanttekeningen bij te plaatsen.

Ten eerste is het helemaal niet vreemd dat er nog geen solide en gevestigde gedeelde Europese identiteit bestaat. De unie heeft er de laatste vijf jaar meer dan tien nieuwe leden bij gekregen. En 18 van de 27 leden zitten 25 jaar of minder bij de club. Een gezamenlijke identiteit moet zich ontwikkelen. De huidige EU heeft daar de tijd nog niet voor gehad.

Ten tweede zijn gedeelde waarden vaak groepswaarden, zoals nationaliteit, religiositeit en cultuur. Voor individuen zijn deze groepswaarden tegenwoordig echter veel minder dwingend dan veertig jaar geleden. De identiteit van het individu wordt allang niet meer voornamelijk bepaald door de waarden van de groep waartoe hij behoort. In ons soort postmoderne samenlevingen kun je immers tegelijkertijd verschillende identiteiten belijden. Je kunt – letterlijk eclectisch – popster, katholiek, SP-stemmer, homoseksueel en directeur van een mediabedrijf zijn – allemaal tegelijk. En als je wil, ben je volgende week weer iemand anders. Identiteiten hangen aan kapstokjes in het rek van H&M, hoe verontrustend dat soms is.

Een gedeelde Europese identiteit is dan ook niet meer – zoals vroeger wellicht – een voorwaarde om politiek nauw samen te werken. We zouden dus ook niet krampachtig op zoek moeten gaan naar een Europese identiteit gemodelleerd naar Amerikaans, Frans, Duits of Brits model. Symbolen in de Europese Grondwet, vlaggen en wimpels en een Europees volkslied dragen niets bij aan de Europese identiteit. Zulke duwbewegingen werken zelfs averechts.

Het is ook de vraag of een land als de VS wel zo sterk een waardeneenheid vormt als vaak wordt gedacht. Er lopen scherpe tegenstellingen op het terrein van waardepatronen door de Amerikaanse samenleving. Geert Mak wijst er in zijn boek In Europa terecht op dat Europeanen op bepaalde terreinen – geschiedenis, cultuur, godsdienst – een homogenere groep vormen dan de Amerikaanse samenleving, ook al is er dan veel minder sprake van een gedeelde ideologie.

Misschien is het dus juist wel de triomf van de unie dat we niet langer een natie met een overkoepelende ideologie nodig hebben om op bovenlokale schaal met elkaar samen te kunnen werken. En misschien moeten we ook meer vertrouwen hebben in het zelfgroeiende vermogen van de Europese identiteit zoals die er wél is. Die groeit niet met verdragen, hofuitspraken of ander juridisch of politiek geweld, maar met een toenemend gevoel van herkenning. Dat we een andere economie en defensiebeleid onderhouden dan de VS, dat we andere waarden hebben dan Chinezen of Indiërs, dat we op een andere manier (buitenlandse) politiek bedrijven dan Rusland. Dat ook, maar juist ook het kleine gevoel van herkenning dat je ervaart als je op een Grieks – niet al te toeristisch – eiland met euro’s die je uit de muur hebt gepind een pak hagelslag koopt bij een gepiercete tiener in een Griekse buurtsuper.

Wim Voermans is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.

Experts bloggen over de EUGrondwet op nrc.nl/europa