Zwaluw

Het gezelschap in de kleedkamer valt in te delen in twee categorieën: zij die hun benen hebben geschoren, en zij die de natuur geen strobreed in de weg leggen. Ik behoor tot de laatste categorie. Maar ik hoor dan weer niet bij de subgroep die de haargroei probeert te camoufleren door driekwart beenstukken als nylonkousen over de benen te stropen. Henk Poppe heeft zijn benen wel geschoren. Wat erger is, zijn benen staan scherp, die hebben heel wat kilometertjes weggemaald. „Jongens, we gaan mekaar niet al te veel pijn doen”, zeg ik.

Ik heb me laten strikken voor een dernykoersje in Wierden voor oud-professionals. Gecontracteerd zijn: een Piet van Katwijk, een Jelle Nijdam, een Theo Smit, een Tom Cordes, een André Gevers, een Henri Dorgelo, een Frits Pirard, een Gert Jakobs, een Erwin Nijboer, een Aad van den Hoek. Spektakel verzekerd in het voorprogramma van de echte profs. Twintig rondjes van elk een kilometer is de opdracht. We verlaten het kleedlokaal met de belofte mekaar de kop niet gek te maken.

We worden weggeschoten, maar niet dan nadat de microfonist onze vervlogen wapenfeiten de avond in heeft geslingerd. Wierden is voor even een klein openluchtmuseum van de wielersport.

Het is goed toeven achter de rug van de gangmaker. Ik zit lekker uit de wind en draai een soepele versnelling. Vastgekit aan het spatbord van de derny scheer ik als een zwaluw door de bochten. Wat kan fietsen toch lekker zijn. Vooral als het niet te veel moeite kost.

Door de bochten vliegen, dat heeft niemand verleerd, zo stel ik vast na een eerste observatie. Het is een verworvenheid die zowel tussen de oren als in het fysieke systeem is geëtst. Het zal nog eens van pas zal komen als de fiets voor de scootmobiel wordt ingeruild. Een tweede observatie levert op dat in elk oudje de ‘zit’ en de tred van weleer duidelijk herkenbaar is gebleven. Het mollige corpus van sommigen herbergt nog steeds de stylist uit eerdere dagen; in de ballonkuiten schemert nog altijd het vernietigend eindschot. Klasse is kennelijk iets waarop de tijd geen vat kan krijgen.

Mijn stuur zou minstens een centimeter omlaag moeten, denk ik als het tempo wat omhoog gaat. Mijn fiets is afgesteld op het trage wiegen in de wind, zoals ik mijn actuele fietsactiviteiten het liefst omschrijf. Platter en gretiger moet het. Ik voel mijn hoofd iets zwellen. Mijn maag ook. Bepaald onprettig is het branden in de longen. Verlangend kijk ik bij het passeren de viptent in waar straks het koude buffet wordt aangericht. Oké, nog tien rondjes. Nu goed aan die derny blijven plakken.

De bel voor de laatste ronde klingelt. Jelle Nijdam draait de gaskraan open. Ik weet genoeg. Jelle is op dieet geweest, zei hij in de kleedkamer: tien kilo eraf. Op een machtig grote plaat davert hij door het centrum van Wierden. Ik los de rol. Een museumstuk moet iets forser trainen.